Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:18229

Op 3 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.34707, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:18229. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.34707
Datum uitspraak:
3 July 2026
Datum publicatie:
3 July 2026

Indicatie

grensdetentie – artikel 6, derde lid, van de Vw – loungemaatregel – geschiktheid van de screeningslocatie – zorgvuldigheid van de processen-verbaal – informatieplicht – kwetsbaarheidsbeoordeling – ambtshalve toets – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.34707

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw (Voetnoot 1) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting hebben partijen desgevraagd een aanvullende schriftelijke reactie ingediend. De rechtbank heeft na ontvangst hiervan het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Eiser is op 21 juni 2026 om 13.51 uur aangekomen op Schiphol, waar hij vervolgens om 20.30 uur op grond van artikel 4.6 van het Vb (Voetnoot 2) een aanwijzing heeft gekregen om zich gedurende één nacht op te houden in de internationale lounge. Hij heeft op dezelfde dag zijn asielwens kenbaar gemaakt, waarvan op 22 juni 2026 een M35-H formulier is opgemaakt. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat. (Voetnoot 3)

Toetsingskader

3. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb (Voetnoot 4) wordt deze vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Geschiktheid van de screeningslocatie

4. Eiser voert aan dat de screening niet heeft plaatsgevonden op een toereikende en geschikte locatie als bedoeld in de Screeningsverordening (Voetnoot 5), gelezen in samenhang met de (nieuwe) Opvangrichtlijn. (Voetnoot 6) De procedure is feitelijk aangevangen bij zijn aankomst op Schiphol, waar hij door de Koninklijke Marechaussee is ondervraagd en vervolgens in een ruimte en later, op grond van de loungemaatregel, in de internationale lounge heeft verbleven onder sobere omstandigheden, waaronder een overnachting op een stoel en beperkte verstrekking van voedsel. Schiphol kan onder deze omstandigheden niet als een toereikende en geschikte locatie worden aangemerkt. Daarbij wordt erop gewezen dat de screening onder het Asiel- en Migratiepact meerdere dagen kan duren en dat een dergelijke locatie daarom moet voorzien in mogelijkheden tot overnachting, waaraan de internationale lounge niet voldoet.

5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018 (Voetnoot 7) volgt dat een verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact tot een ander oordeel leidt. Verder volgt uit de stukken dat eisers vlucht op 21 juni 2026 om 13:51 uur op Schiphol is geland en dat hij op 22 juni 2026 om 14:00 uur is overgebracht naar het aanmeldcentrum Schiphol. (Voetnoot 8) De rechtbank acht het, gelet op deze tijdstippen en de gebruikelijke gang van zaken na aankomst van een vlucht waardoor het eerste contact met de KMar pas na enige tijd zal plaatsvinden, aannemelijk dat eisers verblijf op Schiphol minder dan 24 uur heeft geduurd.

Ook hetgeen eiser heeft aangevoerd over de omstandigheden waaronder hij gedurende zijn verblijf in de internationale lounge heeft verbleven, maakt het voorgaande niet anders. Mede gelet op de duur van het verblijf ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat Schiphol in dit geval niet als een toereikende en geschikte screeningslocatie kon worden aangemerkt.

Zorgvuldigheid van de processen-verbaal

Algemeen

6. Eiser voert aan dat diverse processen-verbaal in het dossier onzorgvuldigheden/ slordigheden bevatten.

7. De rechtbank stelt voorop dat aan eiser zonder meer kan worden toegegeven dat diverse processen-verbaal in het dossier op onderdelen onvolledig en/of slordig zijn ingevuld. Evenwel komt uit de stukken, gelezen in onderlinge samenhang, voldoende duidelijk en overtuigend naar voren wat de feitelijke gang van zaken is geweest.

Ondertekening van de processen-verbaal

8. Eiser voert aan dat zowel het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 als het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 niet zijn ondertekend. Daardoor is onduidelijk welke waarde aan deze stukken kan worden gehecht en kan niet worden gecontroleerd of de daarin beschreven gang van zaken zich daadwerkelijk op die wijze heeft voorgedaan.

9. De rechtbank overweegt als volgt. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, heeft zij verweerder verzocht om nadere informatie betreffende de (al dan niet) ondertekening. Verweerder heeft vervolgens een reactie ingediend. Daarbij is een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2026 overgelegd, waarin wordt toegelicht dat het ontbreken van een zichtbare digitale handtekening onder het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 het gevolg is van een technische storing bij de omzetting van de systemen in verband met het Asiel- en Migratiepact.

10. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op de in rechtsoverweging 9 bedoelde vraag aan en reactie van verweerder. Voor zover de reactie van de gemachtigde van eiser betrekking heeft op de toelichting omtrent de ondertekening van het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 heeft de rechtbank deze bij haar beoordeling betrokken.

Voor het overige gaat de reactie de omvang van de door de rechtbank gegeven gelegenheid te buiten. De rechtbank laat deze, alsmede de daarbij overgelegde bijlage, daarom buiten beschouwing.

11. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de op ambtseed gegeven toelichting in het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2026 te twijfelen. Evenzeer acht zij aannemelijk dat hetzelfde geldt voor de (niet-zichtbare) ondertekening van het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel.

Voor zover zou gelden dat genoemde processen-verbaal niet zijn ondertekend, overweegt de rechtbank dat dit op zichzelf onvoldoende is om aan de inhoud van deze op ambtseed opgemaakte processen-verbaal te twijfelen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat eiser geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat de daarin beschreven gang van zaken onjuist is, noch een aannemelijk alternatief scenario heeft geschetst.

Tegenstrijdigheden in het tijdstip van het uiten van eisers asielwens

12. Eiser voert aan dat het “proces-verbaal van gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering en het opleggen van een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6, derde lid, van de Vw” van 22 juni 2026 innerlijk tegenstrijdig is wat betreft het tijdstip van het uiten van zijn asielwens. Hierin is immers op dezelfde pagina vermeld dat eiser op 21 juni 2026 om 18:40 uur zijn asielwens heeft geuit, maar anderzijds ook dat hij dit pas om 20:30 uur heeft gedaan. (Voetnoot 9)

13. De rechtbank is van oordeel dat de geconstateerde tegenstrijdigheid onvoldoende is om te concluderen dat onduidelijk is wanneer eiser zijn asielwens heeft geuit. Uit zowel de vrijheidsontnemende maatregel (Voetnoot 10) als het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 volgt dat eiser dit op 21 juni 2026 om 18:40 uur heeft gedaan. Weliswaar is in het proces-verbaal van gehoor tevens het tijdstip 20:30 uur vermeld, maar dit is ook het tijdstip waarop aan eiser op grond van artikel 4.6 van het Vb de aanwijzing is gegeven zich op te houden in de internationale lounge. Gelet hierop, in samenhang bezien met het tijdstip waarop eisers vlucht is aangekomen, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser reeds om 18:40 uur zijn asielwens heeft geuit en dient het genoemde tijdstip van 20.30 uur in dit opzicht als een kennelijke verschrijving te worden aangemerkt.

Inname paspoort en juistheid proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel

14. Eiser voert voorts aan dat het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 ook inhoudelijk onjuist is, omdat daarin niet is vermeld dat zijn paspoort reeds op 21 juni 2026 is ingenomen. Pas op 22 juni 2026 is een ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en/of identiteitspapieren opgemaakt, terwijl het paspoort toen al in bewaring was genomen.

15. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat eisers paspoort is ingenomen. Dit blijkt ook onweersproken uit het ontvangstbewijs van 22 juni 2026. Dat in het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 niet is vermeld op welk moment eisers paspoort is ingenomen, maakt niet dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad.

Informatieplicht bij de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel

16. Eiser voert aan dat niet is voldaan aan de informatieplicht bij de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Uit zijn antwoord op de mededeling dat de toegang tot Nederland wordt uitgesteld, zijn asielaanvraag wordt behandeld in de asielgrensprocedure en hij in een gesloten detentiecentrum zal verblijven, blijkt niet dat hij de rechtsgevolgen daadwerkelijk heeft begrepen. Hij heeft slechts verklaard dat hij het “snapt”, terwijl de enkele mededeling dat hij de inhoud heeft begrepen daartoe onvoldoende is. (Voetnoot 11)

17. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Weliswaar blijkt uit de op p. 4 in het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 opgenomen reactie van eiser niet zonder meer dat hij de rechtsgevolgen van de mededelingen volledig heeft begrepen, maar uit datzelfde proces-verbaal volgt dat hem om 08:00 uur voorafgaand aan de oplegging van de maatregel onder meer is medegedeeld dat zijn asielaanvraag in de asielgrensprocedure zou worden behandeld, dat hem een vrijheidsontnemende maatregel zou worden opgelegd, dat hij gedurende de behandeling van zijn aanvraag in een vreemdelingendetentiecentrum zou worden ingesloten en dat hij gedurende de screeningsprocedure geen toegang tot Nederland zou krijgen. (Voetnoot 12) Daarbij komt dat eiser om 08:25 uur de Engelstalige M19B-informatiefolder met betrekking tot artikel 6, derde lid, van de Vw voor ontvangst heeft ondertekend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het voor eiser voldoende duidelijk was dat hij zou worden ingesloten.

Wijze van registratie van de voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling

18. Eiser voert ten slotte aan dat in het screeningsformulier bij de vraag of de voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid, overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening, is uitgevoerd, standaard het antwoord “Ja” wordt aangekruist, blijkens de vermelding “Altijd JA” tussen haakjes achter de antwoordmogelijkheden. Dit roept de vraag op of daadwerkelijk een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden, nu deze vermelding suggereert dat de uitkomst reeds vaststaat.

19. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op het screeningsformulier is bij de vraag of de voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid, overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening, is uitgevoerd, het antwoord “Ja” aangekruist. (Voetnoot 13) Eiser heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat deze registratie onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toets

20. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

Conclusie

21. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Vreemdelingenbesluit 2000.

Voetnoot 3

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.

Voetnoot 4

Vreemdelingenbesluit 2000.

Voetnoot 5

Verordening (EU) 2024/1356.

Voetnoot 6

Richtlijn (EU) 2024/1346.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RVS:2018:4201.

Voetnoot 8

Proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026, p. 5 van 5.

Voetnoot 9

Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 9 van 10.

Voetnoot 10

Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6 derde lid, of eerste en tweede lid juncto het zesde lid van de Vw voor vreemdelingen die vallen onder de werking van de Procedureverordening (Model M19B) d.d. 22 juni 2026, p. 1 van 3.

Voetnoot 11

Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 4 van 10.

Voetnoot 12

Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 2 van 10 onder ‘Algemeen’.

Voetnoot 13

Screeningsformulier, p. 2 van 3.