Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:18657

Op 30 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.34983, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:18657. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.34983
Datum uitspraak:
30 June 2026
Datum publicatie:
7 July 2026

Indicatie

Maatregel van bewaring artikel 59, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000. Arrest Aroja. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser voorafgaand aan deze inbewaringstelling de maximale termijn van zes maanden in bewaring heeft gezeten op grond van hetzelfde terugkeerbesluit. De maatregel van bewaring is ook een verlengingsbesluit. Op grond van vaste rechtspraak geldt voor een verlengingsbesluit, net zoals bij een eerste maatregel van bewaring, dat eiser in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Uit het dossier blijkt niet dat de minister eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij voornemens is om de duur van de bewaring met twaalf maanden te verlengen en is eiser er niet expliciet op gewezen dat hij daarover zijn zienswijze kan geven. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze over de verlenging kenbaar te maken en dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. De maatregel is ten onrechte is verlengd en dient te worden opgeheven. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.34983

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft verweerder aan eiser, die stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1999, de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

1.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. (Voetnoot 1)

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, R. Isabbani als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser voorafgaand aan deze inbewaringstelling in de periodes van 8 mei 2024 tot en met 16 oktober 2024 en van 30 maart 2026 tot en met 22 april 2026 ook op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw in bewaring heeft gezeten op grond van hetzelfde terugkeerbesluit van 8 september 2023.

2.1

Verweerder heeft in de maatregel van bewaring het volgende overwogen:

“Arrest AROJA:

De vertrektermijn van 6 maanden is verstreken maar nog binnen de verlengingstermijn van 12 maanden.

Verlengingsbesluit

De cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldige terugkeerbesluit maakt dat de

duur van zes maanden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a Vw is verstreken.

Daarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw, dan wel zoveel korter indien een deel van de verlengingstermijn inmiddels is verbruikt.

De bewaring van de vreemdeling en voortzetting van de bewaringsduur is noodzakelijk omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering. Zie ter onderbouwing daarvan de in deze maatregel opgenomen toelichting van het risico op onderduiken, het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is.”

2.2

De rechtbank stelt vast dat op grond van het voorgaande de maatregel van bewaring tevens een verlengingsbesluit is. Het beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

3. Eiser stelt dat de verlenging van de bewaring onrechtmatig is omdat het niet voldoet aan de voorwaarden. In het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling is het eiser niet duidelijk gemaakt dat het gaat om een verlenging van de bewaring voor de duur van twaalf maanden. Dit maakt de maatregel van bewaring daarom onrechtmatig.

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een voornemenprocedure maar dat dit ook niet nodig was. In het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft eiser de gelegenheid gekregen om omstandigheden aan te voeren op grond waarvan hij meent dat hij niet in bewaring kan worden gesteld. Daarmee is hij ook in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Verweerder stelt dat in de maatregel alle voorwaarden voor een verlenging op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw zijn gemotiveerd.

3.2

De rechtbank stelt voorop dat voor een verlengingsbesluit, net zoals bij een eerste maatregel van bewaring, geldt dat eiser in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken (Voetnoot 2).

De rechtbank oordeelt dat uit het proces-verbaal van gehoor (formulier M110) van 23 juni 2026 niet is gebleken dat verweerder eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij voornemens is om de duur van de bewaring met twaalf maanden te verlengen en is eiser er niet expliciet op gewezen dat hij daarover zijn zienswijze kan geven. Nergens uit het dossier blijkt dat dit eiser duidelijk was. Nu eiser onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze over de verlenging kenbaar te maken en verweerder vervolgens toch is overgegaan tot verlenging van de bewaring, heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.

3.3

De rechtbank is van oordeel dat deze onzorgvuldigheid maakt dat de maatregel ten onrechte is verlengd. De maatregel van bewaring is daarom onrechtmatig met ingang van de oplegging van de maatregel op 24 juni 2026. Immers, op 24 juni 2026 is de maximale bewaringstermijn van zes maanden verstreken, zoals die is bepaald in het arrest Aroja (Voetnoot 3).

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond.

De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.

4.1.

Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, als zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 7 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 840,-.

4.2.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 840,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 2

Zie onder meer de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7400, rechtsoverweging 2.3.

Voetnoot 3

Zie het arrest Aroja van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.