Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19037

Op 8 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.28278, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:19037. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.28278
Datum uitspraak:
8 July 2026
Datum publicatie:
10 July 2026

Indicatie

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn partner. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling heeft betrokken. De minister heeft de belangenafweging niet zorgvuldig gemaakt en onvoldoende gemotiveerd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.28278

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn partner. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft op 4 april 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verblijf als familie of gezinslid’ voor verblijf bij zijn partner [persoon] (hierna: referente).

2.1.

De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1993 en heeft de Irakese nationaliteit. Hij is rond zijn 12e uit Irak gevlucht en heeft toen eerst nog een tijd in Syrië gewoond. Sinds 2015 woont eiser in Nederland. In 2017 ontmoette eiser referente in het Asielzoekerscentrum waar zij toen allebei verbleven. Vanaf november 2017 hebben eiser en referente een relatie. Referente heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit en werkt in het [bedrijf] . Eiser zit in de laatste fase van zijn opleiding geneeskunde aan de [universiteit] en loopt coschappen. Op 17 oktober 2023 zijn eiser en referente getrouwd. Op 18 juli 2025 is hun zoon geboren.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. De minister heeft eisers aanvraag afgewezen omdat hij niet in het bezit is van een geldige mvv. (Voetnoot 1) Hij komt ook niet voor vrijstelling daarvan in aanmerking. De uitzetting levert volgens de minister geen strijd op met het recht op het uitoefenen van het gezins- of privéleven als bedoeld in artikel 8 van EVRM. (Voetnoot 2) Er is een belangenafweging gemaakt en deze belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen.

Belangenafweging

5.1.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er gezinsleven is tussen eiser en referente. De minister heeft een belangenafweging gemaakt en is tot de beslissing gekomen dat deze in het nadeel uitvalt van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Volgens hem is het besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, en zitten er diverse gebreken in het besluit. Eiser voert verder aan dat de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen.

5.2.

In de uitspraak van 27 maart 2024 (Voetnoot 3) heeft de Afdeling overwogen dat de bestuursrechter moet toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Ook heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat de bestuursrechter de uitkomst van de belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen. Dat betekent dat de rechtbank in zijn oordeel over het gewicht dat de minister aan de verschillende belangen heeft toegekend enigszins terughoudend moet zijn.

5.3.

Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister in het voordeel van eiser heeft meegewogen dat referente de Nederlandse nationaliteit en een inkomen heeft. In het nadeel van eiser is meegewogen dat hij het gezinsleven in Nederland is gaan uitoefenen zonder dat hij in Nederland mocht verblijven. De minister stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een objectieve belemmering voor eiser om het gezinsleven in Irak uit te oefenen. Ook van een ‘certain degree of hardship’ is volgens de minister niet gebleken. Eisers echtgenote kan namelijk ook in Nederland verblijven wanneer eiser terug gaat naar Irak voor het aanvragen van een mvv. Zodra eiser een mvv heeft, kan hij weer terugkeren naar Nederland. Ten aanzien van het recht op privéleven stelt de minister dat het feit dat eiser een opleiding volgt, een hobby uitoefent en dat hij ruime sociale contacten heeft opgedaan inherent is aan een langdurig verblijf in Nederland. Dit zorgt er volgens de minister niet voor dat de belangenafweging in eisers voordeel zou moeten uitvallen.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling heeft betrokken. De minister heeft de belangenafweging niet zorgvuldig gemaakt en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank licht dit hieronder toe en zal daarna uitleggen welke gevolgen dit heeft.

Gebreken in de besluitvorming

6.1.

De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit vermeldt dat eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht dat hij en referente een kind verwachten. Hoewel de zoon van eiser ten tijde van het bestreden besluit dus nog niet was geboren, had de minister naar het oordeel van de rechtbank de aankomende geboorte van het kind wel kenbaar moeten meewegen in de belangenafweging. Door dat niet te doen is er sprake van een gebrek en komt het bestreden besluit alleen al om die reden voor vernietiging in aanmerking.

6.2.

Daar komt bij dat de minister in de bestreden beslissing van doorslaggevend belang vindt dat eiser in Nederland familieleven is gaan uitoefenen, zonder dat hij wist of hij hier mocht verblijven. (Voetnoot 4) De rechtbank overweegt dat ook dit een gebrek is dat de minister bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar moet herstellen. Hoewel eiser op het moment dat hij familieleven is gaan uitoefenen in Nederland geen verblijfsvergunning had, had hij wel procedureel verblijfsrecht omdat hij zich in de asielprocedure bevond. Eiser mocht dus wel in Nederland verblijven. De rechtbank draagt de minister op om de gebreken te herstellen.

6.2.

De onjuiste redenatie van de minister over eisers procedurele verblijfsrecht werkt ook door in het standpunt van de minister over eisers opleiding. De rechtbank overweegt dat de minister eiser tegenwerpt dat hij zijn geneeskundestudie is gestart in de periode dat hij niet in Nederland mocht verblijven. Maar deze informatie is onjuist. De rechtbank overweegt dat het is toegestaan om een opleiding te volgen vanaf het moment dat een vreemdeling (onder meer) een verblijfsrecht heeft. (Voetnoot 5) Hieronder valt ook een procedureel verblijfsrecht, namelijk wanneer de aanvraag voor een verblijfsvergunning is ingediend. Eiser heeft zijn opleiding dus rechtmatig gevolgd. De minister heeft dus niet de juiste feiten en omstandigheden kenbaar betrokken bij de bestreden besluitvorming. Daarnaast heeft de minister ook niet voldoende gemotiveerd hoe zwaar deze elementen in het voordeel van eiser wegen in de belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat de minister minder gewicht had moeten toekennen aan het feit dat eiser geen verblijfsvergunning had.

Objectieve belemmeringen en een ‘certain degree of hardship’

7.1.

De minister heeft geen objectieve belemmering aangenomen ten aanzien van eisers land van herkomst, Irak. De minister stelt hierover dat eiser niet heeft aangetoond dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst en dat zijn asielomstandigheden niet worden betrokken in deze reguliere procedure. Ter zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat, nu eiser in Irak een mvv kan aanvragen, het slechts zou gaan om een tijdelijke situatie.

7.2.

De rechtbank kan zich niet vinden in het standpunt van de minister. Allereerst overweegt de rechtbank dat de minister niet kenbaar is ingegaan op eisers bezwaren waarom hij niet naar Irak kan terugkeren. De minister heeft niet meegewogen dat eiser rond zijn 12e uit Irak is vertrokken naar Syrië en dat hij daar door de UNHCR is aangemerkt als prima facie vluchteling. De rechtbank draagt de minister op om deze omstandigheden mee te wegen in de belangenafweging.

7.3.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit de Werk Instructie 2020/16 (hierna: WI 2020/16) volgt dat de minister toetst of het gehele gezin in het land van herkomst kan verblijven om te beoordelen of er sprake is van objectieve belemmeringen of een ‘certain degree of hardship’. (Voetnoot 6) De WI 2020/16 spreekt over het uitoefenen van familieleven in het land van herkomst. De omstandigheid zoals de minister deze schetst, namelijk dat eiser tijdelijk deze situatie kan afwachten in zijn land van herkomst terwijl referente en hun zoon in Nederland achterblijven, is niet in lijn met het beleid van de minister en dus onzorgvuldig.

Economisch belang

8. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026 (Voetnoot 7) volgt dat de minister in iedere zaak een geïndividualiseerde belangenafweging moet maken. De minister mag niet aan het economisch belang in elk afzonderlijk geval steeds evenveel gewicht toekennen. De rechtbank overweegt dat de minister in deze zaak geen individuele belangenafweging heeft gemaakt en zich slechts in zijn algemeenheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser, door zonder verblijfsrecht in Nederland familieleven op te bouwen, gebruik heeft gemaakt van de openbare voorzieningen. Dit is onzorgvuldig. De minister heeft nagelaten om op eisers argumenten in te gaan dat hij juist zal gaan bijdragen aan het economisch belang van Nederland omdat hij bijna basisarts is en waarschijnlijk huisarts wil worden. Hierdoor is de kans groot dat eiser een bijdrage gaat leveren aan de zorg, omdat er in Nederland een groot tekort aan huisartsen is. De rechtbank acht om die reden de kans klein dat eiser in de toekomst niet eigen inkomen zal kunnen voorzien. De rechtbank overweegt dat uit 7.7. uit de WI 2020/16 volgt dat arbeidsparticipatie kan worden meegewogen in de banden die de vreemdeling met Nederland heeft. De minister heeft nagelaten dit belang mee te wegen. De rechtbank draagt de minister op de omstandigheid dat eiser waarschijnlijk een beroep gaat vervullen waarvan er in Nederland tekorten zijn, te laten meewegen in zijn individuele belangenafweging ten aanzien van het economisch belang. Daarbij stelt de rechtbank vast eiser tijdens zijn opleiding geneeskunde financiële steun gekregen van het University Assistance Fund om deze in Nederland te kunnen vervolgen, waar hij in Damascus aan is begonnen. Eiser heeft dus geen beroep gedaan op door de overheid betaalde voorzieningen door het volgen van zijn studie.

Conclusie en gevolgen
9.1.

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

9.2.

Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 mei 2025;

- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194, - aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Machtiging tot voorlopig verblijf.

Voetnoot 2

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RVS:2024:1187.

Voetnoot 4

Pagina 3 van de bestreden beslissing.

Voetnoot 5

Dit volgt bijvoorbeeld uit de site van het University Assistence Fund.

Voetnoot 6

Zie punt 7.3. t/m 7.5. van de WI 2020/16.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RVS:2026:3048.