Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19045

Op 9 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.24233 en NL25.24234, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:19045. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.24233 en NL25.24234
Datum uitspraak:
9 July 2026
Datum publicatie:
10 July 2026

Indicatie

Terugkeerbesluit, motiveringsgebrek, beroep gegrond met in stand laten van de rechtsgevolgen

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.24233 (beroep)

NL25.24234 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter de zaken tussen [eiseres ] ,

geboren op [geboortedag] 1998, van Braziliaanse nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister tegen eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarin eiseres is opgedragen binnen een termijn van vier weken terug te keren naar haar land van herkomst, Brazilië.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt te bepalen dat eiseres de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Het griffierecht

1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.

Achtergrond

2. Eiseres is op 21 mei 2025 op Schiphol tijdens een MTV (Voetnoot 1)-controle staande gehouden en verhoord door de Koninklijke Marechaussee. Omdat niet (onmiddellijk) bleek of eiseres rechtmatig verblijf had, is eiseres door de Marechaussee verhoord. (Voetnoot 2)

2.1.

In het bestreden besluit heeft de minister tegen eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd, omdat zij de vrije termijn waarbinnen zij visumvrij in het Schengengebied mag verblijven met 621 dagen had overschreden. In dit besluit is eiseres opgedragen binnen vier weken terug te keren naar haar land van herkomst, Brazilië.

Beroepsgronden eiseres

3. Eiseres voert aan dat de minister in het bestreden besluit in strijd met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn (Voetnoot 3) geen rekening heeft gehouden met haar specifieke situatie, waaronder haar gezondheidstoestand, familiebanden en het belang van het kind. Ten tijde van het bestreden besluit was zij hoogzwanger, waardoor een terugkeer op korte termijn niet van haar verwacht mocht worden. Door geen rekening met deze omstandigheden te houden, is het bestreden besluit volgens eiseres onzorgvuldig tot stand gekomen en pakt het voor haar onevenredig uit. Ook heeft eiseres naar voren gebracht dat het terugkeerbesluit mogelijk een belemmering vormt voor het afronden van haar verblijfsprocedure in Portugal.

Het oordeel van de rechtbank

4. De minister heeft op de zitting erkend dat in het bestreden besluit ten onrechte niet op de door eiseres naar voren gebrachte individuele omstandigheden is ingegaan en dat daarmee sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal het beroep gelet hierop gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

5. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de minister in het verweerschrift alsnog op de door eiseres naar voren gebrachte individuele omstandigheden is ingegaan en hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat deze omstandigheden geen aanleiding hoefden te geven om op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn af te zien van het uitvaardigen van het bestreden besluit. De minister heeft in dit kader terecht het standpunt ingenomen dat eiseres de door haar gestelde omstandigheden niet heeft onderbouwd, behalve dat zij ten tijde van het terugkeerbesluit zichtbaar hoogzwanger was. De minister heeft hierin geen reden hoeven zien om geen terugkeerbesluit uit te vaardigen, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar op dat moment medisch niet verantwoord was om te vliegen. Ook in de omstandigheid dat eiseres bezig is met het verkrijgen van een verblijfsrecht in Portugal, heeft de minister geen reden hoeven zien om van uitvaardiging van het terugkeerbesluit af te zien. Voor zover het bestreden besluit nadelig zou zijn voor het verkrijgen van een verblijfsrecht in Portugal, is dit namelijk een omstandigheid die voor rekening en risico van eiseres komt.

6. De rechtbank volgt eiseres verder niet in de stelling dat de minister het motiveringsgebrek achteraf niet kon herstellen. De rechtbank is namelijk met de minister van oordeel dat het bestreden besluit met een deugdelijke motivering niet anders was uitgevallen en eiseres is voldoende in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de aanvullende motivering in het verweerschrift.

Conclusie en gevolgen

7. Omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, is het in strijd met artikel 3:46 van de Awb (Voetnoot 4). Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet zoals onder 5 overwogen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat de verplichting van eiseres om terug te keren naar Brazilië in stand blijft.

8. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.

9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1). Als aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd met zaaknummer NL25.24233:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd met zaaknummer NL25.24234:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Mobiel Toezicht Veiligheid.

Voetnoot 2

Op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 3

Richtlijn 2008/115/EG over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.

Voetnoot 4

Algemene wet bestuursrecht.