Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19122

Op 8 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 23.35992, 24.22430 en 24.37100, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:19122. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
23.35992, 24.22430 en 24.37100
Datum uitspraak:
8 July 2026
Datum publicatie:
10 July 2026

Indicatie

Syrië. 15c. Gegrond beroep. Betreft de beoordeling van twee beroepen wegens het niet tijdig beslissen op eisers asielaanvraag, alsmede een beroep tegen het alsnog genomen besluit. Weliswaar stelt de minister terecht dat eiser niet op individuele gronden te vrezen heeft voor vervolging in Syrië, maar de minister heeft ontoereikend gemotiveerd waarom hij voor de provincie Daraa een relatief laag niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn aanneemt. Geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: NL23.35992, NL24.22430 en NL24.37100

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigden: mr. E.G. Grigorjan en mr. P.L.M. Stieger),

en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E.E.G.N. Vermeulen).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Tevens beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het alsnog genomen besluit op de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in zaaknummer NL23.35992 tot het oordeel dat het beroep wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk is, omdat op zijn aanvraag is beslist. Nu het beroepschrift zich ook richt tegen het alsnog genomen besluit van 28 augustus 2024 zoals dat is aangevuld met het besluit van 22 juli 2025, heeft de rechtbank de inhoudelijke gronden tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag tevens in dit zaaknummer behandeld. Het alsnog genomen besluit van 28 augustus 2024 zoals dat is aangevuld met het besluit van 22 juli 2025 is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd, het beroep is daarom gegrond en het, aangevulde, besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de rechtsgevolgen in stand te laten. De minister concludeert weliswaar terecht dat eiser op grond van zijn individuele asielmotieven niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een gegronde vrees voor vervolging heeft. De minister heeft echter niet alsnog voldoende gemotiveerd waarom hij ten aanzien van de Syrische provincie Daraa, waar eiser vandaan komt, een relatief laag niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, aanneemt. Daarnaast heeft de minister ten onrechte nagelaten de bredere beoordeling van artikel 3 van het EVRM concreet te motiveren in het kader van het terugkeerbesluit. Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te wijzen.

1.2.

In deze uitspraak wordt allereerst onder rechtsoverweging 2 het procesverloop weergegeven. Daarna behandelt de rechtbank het beroep met zaaknummer NL23.35992, gesplitst in het beroep wegens het niet tijdig beslissen (rechtsoverweging 3) en het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit van 28 augustus 2024, aangevuld met het besluit van 22 juni 2025. In dat kader wordt allereerst de totstandkoming van de besluitvorming beschreven (rechtsoverweging 4). Vanaf rechtsoverweging 5 volgt de beoordeling door de rechtbank en is aangegeven waarom sprake is van een motiveringsgebrek. Daarna wordt ingegaan op de beoordeling van de asielmotieven en het risico op ernstige schade wegens willekeurig geweld in Syrië. In rechtsoverweging 13 beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiser om een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. In rechtsoverweging 14 volgt de conclusie ten aanzien van het beroep onder zaaknummer NL23.35992. Tot slot volgt er een tweetal overwegingen ten aanzien van de beroepen geregistreerd onder zaaknummers NL24.22430 en NL24.37100.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 juli 2022 een aanvraag om verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1976.

2.1.

Bij brief van 30 oktober 2023 heeft eiser de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag. Op 15 november 2023 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen. (Voetnoot 1) Op 13 mei 2024 heeft eiser de minister opnieuw in gebreke gesteld en op 29 mei 2024 heeft eiser wederom beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn asielaanvraag. (Voetnoot 2)

2.2.

In het besluit van 28 augustus 2024 heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd. Tevens heeft de minister bepaald dat de door eiser ingediende ingebrekestelling geldig is, maar dat hij geen bestuurlijke dwangsom krijgt uitbetaald.

2.3.

Tegen dit besluit heeft eiser op 24 september 2024 beroep ingesteld. (Voetnoot 3)

2.4.

De behandeling van de beroepen is op 9 december 2024 aangehouden om de minister in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar de gevolgen van de val van het regime in Syrië op 8 december 2024.

2.5.

In een brief van 28 januari 2025 heeft de minister verzocht om een nadere termijn voor het verrichten van nader onderzoek, bestaande uit een aanvullend gehoor en het nemen van een aanvullend besluit waarin wordt ingegaan op de inhoudelijk merites van de zaak en op hetgeen op dat moment bekend is over de situatie in Syrië. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Het aanvullend gehoor heeft vervolgens plaatsgevonden op 22 april 2025. Op 19 juni 2025 is er een voornemen uitgebracht, waarop eiser heeft gereageerd in een zienswijze. Op 22 juli 2025 heeft de minister een aanvullend besluit genomen waarin de afwijzing van eisers asielaanvraag wordt gehandhaafd maar de motivering van de afwijzing is vervangen. Eiser heeft hierop op 3 augustus 2025 gereageerd.

2.6.

Op 25 september 2025 heeft de minister aan de rechtbank verzocht om de behandeling van het beroep uit te stellen. De reden hiervoor is dat eiser in zijn beroepsgronden verwijst naar een tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025 (Voetnoot 4) waarin is geoordeeld dat de motivering van de minister omtrent de mate van willekeurig geweld in Syrië niet in lijn is met de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Omdat in de zaak van eiser een soortgelijke rechtsvraag voorligt, heeft de rechtbank besloten het verzoek eveneens toe te wijzen.

2.7.

De minister heeft op 18 december 2025 in reactie op een verzoek om informatie van de rechtbank medegedeeld dat een verweerschrift van 24 oktober 2025 per abuis niet aan het digitale dossier is toegevoegd. Hij heeft dat alsnog gedaan en in aanvulling daarop verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 1 december 2025. (Voetnoot 5)

2.8.

Eiser heeft op 23 mei 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.

2.9.

De minister heeft op 27 mei 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.

2.10.

De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde mr. E.G. Grigorjan, mede als waarnemer voor mr. P.L.M. Stieger, J. Al Sayed al tolk (40339) en de gemachtigde van de minister.

2.11.

Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Overwegingen

Overwegingen ten aanzien van NL23.35992
Het beroep wegens het niet tijdig beslissen

3. Op 15 november 2023 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Op 28 augustus 2024 heeft de minister alsnog beslist op eisers asielaanvraag. Nu is beslist op de aanvraag heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Dit beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.1.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister niet tijdig heeft beslist op eisers asielaanvraag, dat de ingebrekestelling geldig is en dat het beroep wegens het niet tijdig beslissen terecht is ingediend.

3.2.

De rechtbank overweegt dat er geen aanleiding bestaat tot het vaststellen van een bestuurlijke dwangsom zoals verzocht door eiser. Op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) thans artikel 71b van de Vw 2000 is artikel 8:55c van de Awb niet van toepassing op besluiten ten aanzien van aanvragen op grond van de Vw 2000. Dit betekent dat de minister geen bestuurlijke dwangsom verbeurt als hij niet binnen twee weken na ingebrekestelling alsnog een besluit neemt op de asielaanvraag.

3.3.

Omdat het beroep terecht is ingediend, ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De hoogte van deze proceskostenvergoeding volgt uit rechtsoverweging 14.2 van deze uitspraak.

3.4.

Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft een beroep wegens het niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser is het niet eens met het inhoudelijke besluit op zijn asielaanvraag. Het beroep van eiser heeft dus mede betrekking op het besluit van 28 augustus 2024 zoals aangevuld met het besluit van 22 juli 2025. De rechtbank zal dan ook hierna inhoudelijk ingaan op de beroepsgronden van eiser tegen het (aangevulde) besluit tot ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag.

Het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit van 28 augustus 2024 zoals aangevuld met het besluit van 22 juni 2025

Totstandkoming van de besluitvorming

4. Eiser heeft aanvankelijk aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest in Syrië in militaire dienst (reservistendienst) te moeten. Daarnaast heeft hij de algehele veiligheidssituatie in Syrië ten grondslag gelegd aan zijn aanvraag.

4.1.

In het besluit van 28 augustus 2024 heeft de minister de volgende asielmotieven beoordeeld:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

eiser komt in aanmerking voor de reservistendienst.

4.2.

De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Hij gelooft echter niet dat eiser in aanmerking komt voor de reservistendienst. Het geloofwaardig geachte asielmotief heeft de minister verder beoordeeld. Hij concludeert dat de omstandigheid dat eiser uit Syrië komt, op zichzelf niet maakt dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Daarbij heeft de minister toepassing gegeven aan het ten tijde van het besluit gevoerde asielbeleid waarin stond dat een vreemdeling uit Syrië bij terugkeer vanuit het buitenland in beginsel een reëel risico loopt op ernstige schade, maar dat dit uitgangspunt niet geldt in onder meer het geval dat de betrokkene na een eerder vertrek uit Syrië is teruggereisd naar Syrië. (Voetnoot 6) De minister heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Daarnaast legt de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken op.

4.3.

Vervolgens heeft de minister nader onderzoek verricht naar de gevolgen van de val van het voormalige Syrische regime op 8 december 2024. In het kader van dat onderzoek is eiser aanvullend gehoord. Tijdens het aanvullend gehoor van 22 april 2024 heeft eiser verklaard dat hij vreest voor extremistische islamitische groeperingen, onder meer omdat hij muzikant is. Daarnaast vreest eiser voor de algemene onveilige situatie in Syrië. In de correcties en aanvullingen op het aanvullend gehoor heeft eiser nog te kennen gegeven dat hij van mening is dat Syrië geen democratie is en dat hij vreest voor de gevolgen van het niet willen dienen als reservist onder het Assad-regime. Hij zal in Syrië als landverrader worden bestempeld.

4.4.

Op 22 juli 2025 heeft de minister, na een voornemen uitgebracht te hebben, een aanvullend besluit genomen waarbij de beslissing dat aan eiser geen bescherming hoeft te worden verleend, is gehandhaafd. Bij de aanvullende beoordeling van eisers asielrelaas heeft de minister de volgende asielmotieven betrokken:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

vrees voor de gevolgen vanwege het niet willen dienen als reservist onder het regime van Assad;

het zijn van muzikant;

vrees om als landverrader te worden gezien;

vrees voor de algemene onveilige situatie in Syrië.

4.5.

De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst als geloofwaardig aangemerkt. De overige asielmotieven heeft de minister niet op geloofwaardigheid, maar enkel op zwaarwegendheid beoordeeld. (Voetnoot 7) De minister concludeert ten aanzien van deze asielmotieven dat eiser zijn vrees niet aannemelijk heeft gemaakt en dat hij geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. (Voetnoot 8) Volgens de minister loopt eiser evenmin bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade. Daarbij heeft de minister Daraa aangemerkt als eisers gebruikelijke woonomgeving en verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 (AAB 2025) alsmede de Kamerbrief over het landenbeleid Syrië van 10 juni 2025. (Voetnoot 9) De minister heeft verder verwezen naar een data analyse van European Union Agency for Asylum (EUAA) (Voetnoot 10) waaruit blijkt dat er in Daraa sprake kan zijn van geweld, gevechten tussen verschillende groeperingen en burgerslachtoffers. Echter, gelet op de aantallen slachtoffers afgezet tegen de totale populatie in Daraa, kan niet geconcludeerd worden dat eiser enkel door zijn aanwezigheid daar blootgesteld wordt aan ernstige schade. Gelet op eisers persoonlijke omstandigheden, komt de minister niet tot een andere afweging. De minister heeft daarom de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Ook handhaaft de minister het terugkeerbesluit wat bij het besluit van 28 augustus 2024 is opgelegd.

4.6.

In het verweerschrift van 24 oktober 2025 is de minister nader ingegaan op de algemene veiligheidssituatie in Syrië in reactie op de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025 omtrent de beoordeling van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Kort samengevat stelt de minister zich op het standpunt dat de uitspraken van de Afdeling (Voetnoot 11) van 16 juli 2025, waarnaar in de aangehaalde uitspraak wordt verwezen, niet maken dat ten aanzien van Syrië een hoger niveau van willekeurig geweld aangenomen dient te worden dan de laagste gradatie die de minister ten aanzien van heel Syrië aanneemt. Weliswaar volgt daaruit dat humanitaire omstandigheden in de ‘15c-beoordeling’ meegenomen dienen te worden, maar deze omstandigheden zijn niet doorslaggevend of bepalend in de globale beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Bovendien moeten de humanitaire omstandigheden bij die beoordeling verband houden met het gewapende conflict in de relevante verslagperiode en de partijen die daarbij actief betrokken zijn. De humanitaire situatie is echter meer het gevolg van de jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid van de regering van Assad, inmiddels geen actor meer binnen het gewapende conflict.

4.7.

In het verweerschrift van 27 mei 2026 heeft de minister aangegeven dat terecht en op goede gronden is vastgehouden aan de kwalificatie van het relatief lage niveau van willekeurig geweld in Syrië. De minister verwijst hierbij naar de Brief van de minister van Asiel en Migratie aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Syrië van 22 april 2026 en de daarbij behorende nota en bijlage. Meer specifiek ten aanzien van Daraa wijst de minister op bij ACLED geregistreerde geweldsincidenten. De minister stelt tot slot dat de verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 (AAB 2026) voorgaande niet anders maakt nu uit het AAB 2026 niet blijkt van een verslechtering van de situatie in Syrië. Eiser heeft voorts geen bronnen of cijfers overgelegd die een ander beeld geven dan het AAB 2026.

Beoordeling door de rechtbank

Motiveringsgebrek

5. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraken van 16 juli 2025 heeft geoordeeld dat de minister in de globale beoordeling van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ten onrechte de slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten, de recente confrontaties en het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen niet kenbaar heeft betrokken en de minister ten onrechte niet de humanitaire omstandigheden heeft betrokken die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen. (Voetnoot 12) Hoewel deze uitspraak ziet op Jemen zijn de omstandigheden in die uitspraak die horen bij de beoordeling artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook van toepassing bij de beoordeling van andere landen, zoals in dit geval Syrië. De rechtbank stelt vast dat het alsnog genomen besluit van 28 augustus 2024, zoals aangevuld met het besluit van 22 juli 2025 dateert van na de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. In het aanvullende besluit zijn deze omstandigheden echter niet kenbaar betrokken. Gelet op de hiervoor genoemde Afdelingsjurisprudentie ontbreekt derhalve een deugdelijke motivering en kan het alsnog genomen van besluit van 28 augustus 2024, zoals aangevuld met het besluit van 22 juli 2025 reeds daarom geen stand houden. Het beroep is gegrond. De rechtbank merkt op dat de besluitvorming, nog los van reeds geconstateerde motiveringsgebrek, zeer onoverzichtelijk is vanwege de stapeling van besluiten, hetgeen door de minister is erkend ter zitting. De minister merkt het besluit van 22 juli 2025 aan als een aanvullend besluit, terwijl het de inhoud van het alsnog genomen besluit van 28 augustus 2024 vrijwel geheel vervangt zodat niet geheel duidelijk is in welk opzicht nog sprake is van een aanvulling van het eerdere besluit. De rechtbank zal, nu het beroep gegrond is, het alsnog genomen besluit van 28 augustus 2024, zoals aangevuld met het besluit van 22 juli 2025 vernietigen.

5.1.

In zijn verweerschriften van 24 oktober 2025 en 27 mei 2026 heeft de minister gemotiveerd uiteengezet dat voornoemde Afdelingsjurisprudentie de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Daraa een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, niet anders maakt. De rechtbank ziet hierin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van alsnog genomen besluit van 28 augustus 2024, zoals aangevuld met het besluit van 22 juli 2025 in stand kunnen worden gelaten. (Voetnoot 13) Daartoe zal de rechtbank allereerst ingaan op de beoordeling van de asielmotieven en daarna op de beoordeling van de gradatie van willekeurig geweld door de minister.

De asielmotieven

Heeft eiser zijn vrees voor de gevolgen vanwege het niet willen dienen als reservist onder het regime van Assad aannemelijk gemaakt?

6. In het besluit van 28 augustus 2024 heeft de minister niet gevolgd dat eiser in aanmerking komt voor de reservistendienst. Eisers stelling in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor dat hij wél is opgeroepen is immers tegenstrijdig aan zijn verklaring in het nader gehoor. Verder is niet gebleken dat eiser bepaalde expertise zou bezitten waardoor hij op zijn leeftijd alsnog als reservist kan worden opgeroepen. In het aanvullende besluit van 22 juli 2025 heeft de minister eisers vrees voor de gevolgen voor het niet willen dienen als reservist onder het inmiddels gevallen regime van Assad niet aannemelijk geacht. Daarbij acht de minister van belang dat de wetgeving van het oude regime niet langer van toepassing is, dat er momenteel geen dienstplicht geldt en dat er geen indicatie bestaat dat er in de toekomst een dienstplicht wordt ingevoerd.

6.1.

Eiser is het niet eens met deze beoordeling. Volgens eiser is de minister onvoldoende ingegaan op de door hem in de zienswijze aangehaalde bronnen over reservisten van boven de 40 jaar. Verder heeft hij wel degelijk aangegeven dat hij niet persoonlijk is opgeroepen, maar dat er oproepen via verschillende kanalen bekend werden gemaakt. Dit was zeer gebruikelijk, vooral in zijn woonomgeving Daraa. Eiser voert in dit verband nog aan dat in Syrië sprake is van een onveilige en onzekere situatie en dat er geen garantie is dat er geen negatieve gevolgen voor hem wachten als reservistendienstweigeraar. Hij wijst erop dat er nog altijd herplaatsing en rekruteringen plaatsvinden. (Voetnoot 14) Juist vanwege zijn eerdere werkzaamheden in het leger als sergeant bij de luchtmacht is dit niet uit te sluiten. Tevens is bekend dat ook Hayat Tahrir al-Sham (HTS) en het huidige regime voormalige militairen actief benadert en rekruteert. (Voetnoot 15)

6.2.

De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt in het aanvullende besluit, dat het besluit van 28 augustus 2024 op dit punt vervangt, dat eisers vrees in dit kader niet aannemelijk is. De verwijzing van eiser naar onder het voormalige regime geldende wetgeving treft geen doel, omdat de feitelijke macht in Syrië in handen is van niet-statelijke actoren. De minister heeft er in zijn aanvullend besluit verder op gewezen dat uit openbare bronnen blijkt dat de dienstplicht in Syrië is opgeheven door de interim-regering. (Voetnoot 16) Naar het oordeel van de rechtbank is reeds hierom de vrees om gerekruteerd te worden bij terugkeer naar Syrië niet aannemelijk. De verwijzing van eiser naar het AAB 2025 kan hem niet baten. Zoals reeds overwogen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bepaalde expertise bezit waardoor hij het risico loopt om alsnog opgeroepen te worden. In dit verband kan niet onvermeld blijven dat eiser in het aanvullend gehoor aangeeft vanwege de val van het voormalige regime niet langer te vrezen voor de reservistendienst.

Heeft eiser zijn vrees vanwege het zijn van muzikant aannemelijk gemaakt?

7. In het aanvullende besluit van 22 juli 2025 acht de minister het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Syrië heeft te vrezen vanwege het zijn van muzikant. Daarbij heeft de minister gewezen op een aantal artikelen waarin volgt in hoeverre het huidige beleid van HTS (of interim-bestuur) verschilt met het beleid dat voor de machtsovername in de regio Idlib werd gevoerd. Zo blijkt uit een artikel van StratNews Global van 22 februari 2025 dat HTS heeft ingestemd met een concert in Damascus en hierbij heeft aangeboden om bescherming te regelen. (Voetnoot 17) Verder volgt uit een artikel van Reuters van diezelfde datum dat een vertegenwoordiger van de nieuwe regering zou hebben gezegd dat “alle typen en vormen van kunst” verwelkomd en aangemoedigd worden. (Voetnoot 18) De stelling van eiser dat dit niets zegt over de diepgewortelde religieuze en culturele beperkingen, maakt volgens de minister niet dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft als zanger. Ook wijst de minister op een aantal bronnen waaruit blijkt dat HTS zich zowel in theorie als in praktijk na de machtsovername gematigd opstelt. Zo volgt uit een artikel van NPR van 31 maart 2025 dat HTS beleid met betrekking tot alcohol en uitgaan anders wordt vormgegeven. (Voetnoot 19) Ook blijkt uit een artikel van France 24 van 14 december 2024 dat leden van HTS een horecagelegenheid in Damascus bezochten en hierbij respectvol verzekerden dat het uitbaten ervan voort kon duren. (Voetnoot 20) Tot slot wijst de minister op COI Report – Syria: Country Focus van 25 maart 2025. Daarin staat dat HTS patrouilles instelde nadat zij hadden vernomen dat individuen flyers uitdeelden waarin werd opgeroepen tot beperkende maatregelen op het gebied van vrouwenkleding, roken en sociale interacties. (Voetnoot 21)

7.1.

Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat hij te vrezen heeft vanwege zijn rol als muzikant. Hij heeft duidelijk aangegeven dat hij zong over politiek, onderdrukking en andere belangrijke onderwerpen. Nu er veel gebieden zijn in Syrië met verschillende machthebbers, is het de vraag of de door de minister gestelde gematigde opstelling van het huidige regie voldoende is om aan te nemen dat eiser geen gevaar zal lopen bij terugkeer. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op een passage uit het AAB 2025 (Voetnoot 22) waaruit volgt dat op sociale media sprake is van agressief taalgebruik richting critici en andersdenkenden en een artikel in Rowaq Arabi Journal van 9 december 2024 (Voetnoot 23) waarin een algemeen beeld van de strijd van muzikanten in Syrië door politiek en controle in het algemeen wordt geschetst.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn rol als muzikant te vrezen heeft bij terugkeer naar Syrië. In dat kader heeft de minister er in het verweerschrift terecht op gewezen dat hij niet echt duiding heeft gegeven aan deze activiteiten in het aanvullend gehoor. Het artikel van Rowaq Arabi Journal waarnaar eiser verwijst ziet op de eerste plaats niet op de periode na de val van het regime van Assad, zodat dit hem niet kan baten. Verder heeft de minister in de besluitvorming voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat de sociale vrijheid in Syrië op structurele en rechtmatig wijze wordt ingeperkt. De verwijzing van eiser in dit verband naar het AAB 2025 is onvoldoende voor een ander oordeel. Daaruit volgt weliswaar dat sprake was van agressief taalgebruik richting critici en andersdenkenden, maar dit was met name het geval als het ging over vrouwen, democratie en de bestuursvorm in Syrië.

Heeft eiser zijn vrees om als landverrader te worden gezien aannemelijk gemaakt?

8. Uit de besluitvorming volgt dat eiser volgens de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer gevaar loopt omdat hij als landverrader wordt aangemerkt. Daartoe is van belang dat eiser geen enkele indicatie heeft gegeven waarom dat het geval zal zijn. Daarnaast wijst de minister op informatie uit openbare bronnen waaruit blijkt dat de huidige president van Syrië kenbaar heeft gemaakt dat iedereen terug welkom is. (Voetnoot 24) Ook blijkt uit het AAB 2025 dat er geen informatie is gevonden over Syriërs die bij hun terugkeer aan de grens problemen hebben ondervonden.

8.1.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij bij terugkeer naar Syrië wel degelijk het gevaar loopt om als landverrader te worden gezien. De aangehaalde passage uit het AAB 2025 gaat niet over de vraag of eiser wel of niet als landverrader kan worden gezien in Syrië. Uit het AAB 2025 volgt verder wel informatie over aantallen terugkeerders, maar er wordt niets gezegd over hoe zij ontvangen zijn, waar zij naartoe zijn gegaan en wat de gevolgen zijn voor deze Syriërs. In zijn aanvullende beroepsgronden wijst eiser er nog op dat er vaak spanningen ontstaan tussen terugkeerders en de achtergebleven bevolking en dat zij niet worden geaccepteerd in de lokale gemeenschappen. (Voetnoot 25)

8.2.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eiser zijn vrees om als landverrader te worden aangemerkt in Syrië niet heeft onderbouwd en niet concreet heeft gemaakt. De minister heeft er dan ook op mogen wijzen dat de interim-president kenbaar heeft gemaakt dat iedereen welkom is en dat terugkeerders niet hoeven te vrezen enkel vanwege hun vertrek. Daarnaast stelt de minister terecht dat er geen gevallen bekend zijn waarbij terugkeerders problemen hebben ondervonden aan de grens. Eiser heeft geen stukken overlegd waaruit het tegendeel blijkt. De minister heeft dan ook kunnen volstaan met een verwijzing naar paragraaf 9.2 van het AAB 2025, waar wordt ingegaan op terugkeer vanuit het buitenland. Ten aanzien van eisers verwijzing naar het AAB 2025 omtrent spanningen met lokale gemeenschappen, overweegt de rechtbank nog dat deze passage ziet op terugkeer buiten het oorspronkelijke woongebied.

Conclusie ten aanzien van de individuele asielmotieven

9. Het voorgaande betekent dat eiser met zijn individuele asielmotieven niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Syrië. Waarbij de rechtbank nog opmerkt dat uit het AAB 2026 op bovengenoemde punten geen wezenlijk ander beeld volgt dan dat uit het AAB 2025. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Gradaties van willekeurig geweld

Juridisch kader

10. Bij de beoordeling of een asielzoeker een reëel risico loopt op ernstige schade is artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn (Voetnoot 26) relevant. In deze bepaling wordt ‘ernstige schade’ gedefinieerd. Daarin staat dat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict bestaat. In het arrest X en Y van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 9 november 2023 (Voetnoot 27) heeft het Hof uiteengezet dat willekeurig geweld verschillende gradaties heeft. In de hoogste gradatie is de mate van willekeurig geweld zodanig dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in het gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade. In een lagere gradatie kan een vreemdeling door zijn persoonlijke kenmerken eerder slachtoffer worden van willekeurig geweld.

10.1.

In het arrest CF en DN (Voetnoot 28) heeft het Hof elementen genoemd die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte valt van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Alle relevante omstandigheden moeten globaal in aanmerking worden genomen, en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. Verder heeft de Afdeling in de eerder genoemde uitspraken over Jemen geoordeeld dat humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. (Voetnoot 29)

10.2.

De minister heeft op 17 juni 2025 het wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/13 gepubliceerd. (Voetnoot 30) Daarin is zijn huidige inschatting van de veiligheidssituatie in Syrië neergelegd. De minister concludeert dat in heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Volgens de minister leidt de enkele aanwezigheid in Syrië op zichzelf daarom nog niet tot een reëel risico om te worden blootgesteld aan ernstige schade. Dat kan anders zijn als een individuele vreemdeling vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het aanwezige willekeurige geweld. De minister heeft zich hierbij gebaseerd op het AAB 2025 en de daarin benoemde onderliggende bronnen.

Standpunten van partijen

11. Eiser stelt zich in de beroepsgronden van 3 augustus 2025 - samengevat - op het standpunt dat hij vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië niet kan terugkeren. De minister stelt wel dat HTS officieel ontbonden is verklaard, maar in feite hebben dezelfde mensen nu de leiding over het land en leger. Verder wijst eiser erop dat sprake is geweest van verschillende geweldsescalaties in delen van Syrië, waaronder Daraa. Ondanks de ogenschijnlijke uitbreiding van het gezag van het interim-bestuur, bleef de status quo in het noorden, noordoosten en zuiden, met niet-statelijke gewapende actoren feitelijk aan de macht, in de praktijk vrijwel onveranderd. (Voetnoot 31) Ook wijst eiser op de achtergebleven landmijnen en andere ontplofbare oorlogsresten, de grote economische problemen in Syrië, het gebrek aan bestaansmiddelen, werkgelegenheid en voorzieningen. Daarnaast is een groot obstakel voor terugkeer de problematiek rondom het eigendom van woningen, land en andere bezittingen. (Voetnoot 32) De huidige regering doet niets voor burgers als het gaat om verbetering van de (woon)omstandigheden. Er is geen sprake van wederopbouw. Eiser stelt ook onder verwijzing naar het AAB 2025 (Voetnoot 33) dat er wel degelijk onderzoeken plaatsvinden bij terugkeer vanuit het buitenland en dat er verspreid over Syrië controleposten zijn. Tot slot wijst eiser in het kader van het willekeurig geweld op het arrest X en Y en de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. (Voetnoot 34) Volgens eiser is die beoordeling voor Syrië onvolledig en dient de minister het niveau van willekeurig geweld in Syrië opnieuw te beoordelen. Hij wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025. (Voetnoot 35)

11.1.

In het verweerschrift van 24 oktober 2025 wijst de minister er onder meer op dat de Afdeling heeft geoordeeld dat de humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend zijn in de globale beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister stelt dat de humanitaire omstandigheden dus niet doorslaggevend zijn, maar wel moeten worden meegewogen in de globale beoordeling als die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen of nalaten van strijdende partijen in een actief gewapend conflict. De slechte omstandigheden in Syrië zijn echter maar zeer ten dele het gevolg van het nu gaande gewapende conflict. Als een actor niet meer actief is in het desbetreffende conflict of als het handelen of nalaten van een actor betreft dat buiten de relevante (verslag)periode heeft plaatsgevonden dan zijn de humanitaire omstandigheden die voortvloeien uit dit handelen of nalaten niet ongelimiteerd in tijd relevant voor de 15c beoordeling, en zijn ze dus temporeel beperkt. Verder stelt de minister dat humanitaire omstandigheden die geen verband houden met willekeurig geweld in het kader van een lopend gewapend conflict wel een rol kunnen spelen in de meer algemene beoordeling van artikel 3 van het EVRM. Dat valt echter buiten de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en wordt in het algemeen restrictiever uitgelegd. Van belang is verder dat er in veel provincies ontmijningscampagnes plaatsvinden. Bovendien zijn er Syriërs die terugkeren naar Syrië. De minister stelt dat het feit dat het AAB 2025 ziet op een relatief korte verslagperiode en dat het onzeker is hoe de situatie in Syrië zich gaat ontwikkelen onvoldoende is voor de conclusie dat de minister de veiligheidssituatie te licht heeft ingeschat. Ten aanzien van de provincie Daraa stelt de minister dat terecht de laagste gradatie van algemeen geweld is aangenomen. Hoewel de situatie fragiel is, is er geen sprake van een toename in het aantal geweldsincidenten. Ter onderbouwing heeft de minister verwezen naar paragraaf 4 van EUAA Syria ‘major human rights, security, and socio-economic developments’ van 1 oktober 2025.

11.2.

In zijn aanvullende beroepsgronden van 23 mei 2026 stelt eiser zich op het standpunt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Syrië enkel sprake is van een lage mate van willekeurig geweld. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (Voetnoot 36) oordeelt dat alle humanitaire omstandigheden die in verband staan met willekeurig geweld meegenomen dienen te worden bij de beoordeling. Volgens eiser heeft de minister de landeninformatie onvoldoende betrokken in zijn beoordeling. Daarbij wijst hij onder meer op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. (Voetnoot 37) Ook wijst hij op paragraaf 4 van het Country Focus rapport van EUAA (Voetnoot 38) en op passages van de algemene ambtsberichten van mei 2025 (Voetnoot 39) en van januari 2026. (Voetnoot 40) Ter zitting heeft eiser nog verwezen naar een artikel van Levant24 inzake Israëlische aanvallen op Syrisch grondgebied en een blogpost van Human Rights Watch (HRW). (Voetnoot 41)

11.3.

De minister heeft in zijn aanvullend verweerschrift van 27 mei 2026 ter ondersteuning van zijn standpunt dat voor Syrië terecht een relatief laag niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen nog gewezen op een reeks rechtbankuitspraken. (Voetnoot 42) Verder wijst de minister op de Kamerbrief van 22 april 2026 over het landenbeleid Syrië en de daarbij behorende beslisnota en bijlage ‘15c beoordeling per regio in Syrië’. Hoewel in de verslagperiode in Syrië sprake was van geweldsuitbarstingen en het ambtsbericht spreekt over een gebrek aan stabiliteit, vinden er geleidelijk minder incidenten plaats in Syrië buiten de incidentele escalaties in bijvoorbeeld Suweida en in het noordoosten om. Ook was er in zijn algemeenheid een afname zichtbaar van dodelijk geweld. In Daraa was er gedurende de verslagperiode sprake van een relatief laag aantal geweldsincidenten en een neerwaartse trend. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst de minister op landeninformatie van United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (UNOCHA) en de registratie van geweldsincidenten door de niet-gouvernementele organisatie Armed Conflict Location and Event Data (ACLED). Daaruit volgt dat de provincie Daraa een oppervlakte heeft van 3.834 km². Verder schatte de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) het bevolkingsaantal in september 2025 op 1.343.293 personen, van wie 5% binnenlands ontheemden. Tussen 1 mei 2025 en 5 december 2025 zijn er in totaal 252 geweldsincidenten in Daraa geregistreerd. In 62 gevallen ging het om gevechten, in 81 gevallen om explosies/geweld op afstand en in 109 gevallen om geweld tegen burgers. Het maandelijkse aantal geweldsincidenten fluctueerde tussen 28 (november 2025) en 48 (juni 2025). ACLED registreerde de meeste geweldsincidenten in Daraa (124), gevolgd door Izraa (76) en Al-Sanamayn (52). Het Syrian Network for Human Rights (SNHR) documenteerde tussen 1 mei 2025 en 31 oktober 2025 65 burgerdoden in de provincie Daraa. Daarnaast wijst de minister erop dat enkele teams van de binnenlandse veiligheidstroepen betrokken waren bij ontmijningsoperaties. De verwijzing naar het AAB 2026 leidt daarom niet tot de conclusie dat voor Syrië een hogere gradatie van willekeurig geweld aangenomen dient te worden, aldus de minister.

Heeft de minister de laagste gradatie van willekeurig geweld aan kunnen nemen?

12. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in Daraa geen sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan de voor Daraa aangenomen laagste gradatie van willekeurig geweld.

12.1.

Bij dit oordeel kent de rechtbank gewicht toe aan de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië en specifiek in Daraa. De rechtbank volgt de minister namelijk niet in zijn standpunt dat de humanitaire situatie niet of slechts in (zeer) beperkte mate te wijten is aan een thans lopend conflict en dat de humanitaire omstandigheden die voortvloeien uit het handelen of nalaten van een actor die niet langer actief is, niet ongelimiteerd relevant is voor de 15c-beoordeling. De rechtbank zoekt op dit punt aansluiting bij de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. In die uitspraak is het volgende overwogen:

“(…) In het AAB staat dat in bijna veertien jaar gewapend conflict de Syrische infrastructuur op grote schaal is verwoest, de waterinfrastructuur enorm is aangetast, de gezondheidszorg in kritieke toestand verkeert, meer dan 90% van de Syriërs onder de armoedegrens leeft en meer dan de helft van de bevolking geen of niet genoeg toegang tot voedsel heeft. Dit is evident het gevolg van het jarenlange gewapende conflict in Syrië. Hiermee staat voor het oordeel van de rechtbank vast dat de humanitaire omstandigheden het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De omstandigheid dat de regering van Assad niet langer een actor is in het conflict, maakt dit niet anders. De minister heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de Syrische infrastructuur niet ook door andere actoren in de gewapende strijd die nog steeds voortduurt, is ontstaan. (…)”  (Voetnoot 43)

12.2.

De rechtbank benadrukt daarbij dat uit het AAB 2026 volgt dat de situatie in Daraa instabiel is. Daraa behoort weliswaar formeel tot het controlegebied van de overgangsregering, maar in praktijk had de regering weinig grip op de provincie door de aanwezigheid van tientallen lokale gewapende groepen. Er waren tussen deze groepen veel onderlinge conflicten en spanningen. Een aantal van deze groepen viel nominaal onder het ministerie van Defensie, maar in de praktijk opereerden zij semi-autonoom. Daardoor was er in Daraa op het gebied van territoriale controle een hoge mate van fragmentatie. (Voetnoot 44) Door deze onduidelijkheid over de machtsstructuur kan de rechtbank het door de minister gemaakte onderscheid tussen humanitaire omstandigheden veroorzaakt door het Assad-regime en de huidige strijdende partijen niet volgen, te meer niet nu deze huidige strijdige partijen ook onderdeel uitmaakte van het gewapende conflict met het Assad-regime. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook ten onrechte de informatie over onder meer de (water)infrastructuur, gezondheidszorg, armoede en toegang tot voedsel in Syrië (Voetnoot 45) buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat voor de provincie Daraa de impact op de humanitaire situatie niet is betrokken in de beslisnota en bijlage ‘15c beoordeling per regio in Syrië’ bij de Kamerbrief van 22 april 2026 over het landenbeleid Syrië. Dit terwijl dat voor andere provincies in Syrië wel is gedaan. Gelet op het voorgaande en de in het AAB 20206 beschreven instabiele situatie in Daraa ziet de rechtbank niet in waarom dat voor Daraa achterwege is gelaten.

12.3.

Reeds gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

12.4.

Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister weliswaar terecht stelt dat humanitaire omstandigheden die geen verband houden met willekeurig geweld in het kader van een lopend gewapend conflict wel een rol kunnen spelen bij de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM, maar de minister deze beoordeling niet kenbaar heeft gemaakt in het besluit van 28 augustus 2024 en ook niet in het aanvullende besluit van 22 juli 2025. In de verweerschriften ontbreekt het eveneens een dergelijke motivering. Eiser stelt zich dan ook ten aanzien van het terugkeerbesluit terecht op het standpunt dat de humanitaire omstandigheden in het licht van de bredere beoordeling op grond van artikel 3 van het EVRM onvoldoende zijn betrokken.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

13. Eiser verzoekt tot slot om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hij heeft immers op 25 juli 2022 asiel aangevraagd en op 24 september 2024 beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag. Afgerond naar boven, zoals bepaald door de Hoge Raad, wacht eiser al twee jaar op een uitspraak.

13.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 6 van het EVRM volgt dat geschillen binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geldt het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen. (Voetnoot 46) Dat betekent dat ook die procedures binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht. De vraag of een zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt dat de rechtbank in beginsel twee jaar de tijd heeft om uitspraak te doen. Als sprake is van een bezwaarprocedure, valt dat ook binnen die twee jaar. De redelijke termijn vangt dan aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als geen sprake van een bezwaarfase vangt de redelijke termijn aan met het instellen van beroep. (Voetnoot 47)

13.2.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn van twee jaar in de beroepsfase niet is overschreden. Daarbij is van belang dat de termijn niet, zoals eiser stelt, is aangevangen op 24 september 2024. Eiser heeft immers in eerste instantie beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. In dergelijke gevallen vangt de termijn van twee jaar aan op het moment dat er een reëel besluit wordt genomen. In de zaak van eiser was dat op 28 augustus 2024. (Voetnoot 48) Nu vanaf die datum nog geen twee jaar is verstreken, zal het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen. Voor zover eiser stelt dat de termijn naar boven dient te worden afgerond, kan de rechtbank dit betoog niet volgen. Wanneer recht bestaat op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, geldt een immateriële schadevergoeding van € 500,00 voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In het geval van eiser bestaat echter geen recht op een schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het alsnog genomen besluit van 28 augustus 2024, zoals aangevuld met het besluit van 22 juli 2025, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het aangevulde bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.

14.1.

De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.269,00. De rechtbank legt dit hierna uit.

14.2.

Onder het zaaknummer NL23.35992 is formeel één beroepschrift ingediend. In eerste instantie een beroep wegens het niet tijdig beslissen dat ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking heeft op het bestreden besluit. In het kader van dit omgeklapte beroep heeft de gemachtigde van eiser eerst inhoudelijke beroepsgronden ingediend naar aanleiding van het alsnog genomen besluit van 28 augustus 2024 en vervolgens naar aanleiding van het aanvullende besluit van 22 juli 2025. De rechtbank ziet aanleiding om voor beide proceshandelingen 1 punt, met een wegingsfactor van 1 toe te kennen. In het aanvullende besluit is het asielrelaas van eiser immers geheel opnieuw beoordeeld. Omdat het beroepschrift wegens het niet tijdig beslissen terecht is ingediend, ziet de rechtbank ook aanleiding om 1 punt toe te kennen voor het indienen van het inleidende beroepschrift, met een wegingsfactor 0,5. Daarnaast kent de rechtbank 1 punt toe voor het verschijnen ter zitting. Deze punten hebben een waarde van € 934,00 per punt. Voor het overige zijn er geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Overwegingen ten aanzien van NL24.22430

15. Eiser heeft op 13 mei 2024 de minister opnieuw in gebreke gesteld en op 29 mei 2024 wederom beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk omdat inmiddels op de aanvraag van eiser is beslist. Hiermee heeft eiser immers bereikt wat hij wilde bereiken. De rechtbank is verder van oordeel dat artikel 6:20, derde lid van de Awb in onderhavig beroep niet aan de orde is nu hij daar geen belang bij heeft. Weliswaar is de minister met de afwijzing van de aanvraag niet aan eiser tegemoetgekomen, maar eisers gronden van beroep tegen het alsnog genomen besluit van 28 augustus 2024 zijn hiervoor al beoordeeld in het beroep wegens het niet tijdig beslissen met zaaknummer NL23.35992. Eiser kan met dit beroep wegens het niet tijdig beslissen (NL24.22430) niet meer bereiken dan dat hij heeft bereikt in zijn eerder ingediende het beroep wegens het niet tijdig beslissen (NL23.35992). De rechtbank zal het beroep wegens het niet tijdig beslissen onder nummer NL24.22430 daarom niet-ontvankelijk verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Overwegingen ten aanzien van NL24.37100

16. Eiser heeft tegen het besluit van 28 augustus 2024 op 24 september 2024 beroep ingesteld terwijl door de rechtbank nog geen uitspraak was gedaan op het eerder door eiser ingediende beroep wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag (NL23.35992). Omdat de minister niet geheel aan het beroep wegens het niet tijdig beslissen was tegemoetgekomen, had dat beroep mede betrekking op het alsnog genomen besluit. De beroepsgronden die eiser in onderhavig beroep heeft aangevoerd tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag zijn hiervoor reeds beoordeeld in het kader van het (omgeklapte) beroep wegens het niet tijdig beslissen met zaaknummer NL23.35992. Eiser kan daarom met dit beroep niet meer bereiken dan dat hij al heeft bereikt. Eiser heeft daarom geen belang meer bij de beoordeling van het beroep met kenmerk NL24.37100. De rechtbank zal dit beroep niet-ontvankelijk verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart ten aanzien van NL23.35992:

het beroep, wegens het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;

het beroep, gericht tegen het besluit van 28 augustus 2024, zoals aangevuld met het besluit van 22 juli 2025, gegrond;

vernietigt het besluit van 28 augustus 2024, zoals aangevuld met het besluit van 22 juli 2025, en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.269,00;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

De rechtbank verklaart ten aanzien van NL24.22430 en NL24.37100:

- de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. M.N.T. Tacken, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 8 juli 2026

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL23.35992.

Voetnoot 2

Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL24.22430.

Voetnoot 3

Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL24.37100.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RBDHA:2025:14097.

Voetnoot 5

ECLI:NL:RBDHA:2025:22984.

Voetnoot 6

Onderdeel C7/33.4.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) en Informatiebericht (IB) 2024/13.

Voetnoot 7

Daarbij heeft de minister gebruik gemaakt van paragraaf C1/4.1, onder 5, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Voetnoot 8

Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.

Voetnoot 9

Met als kenmerk 6455336.

Voetnoot 10

EUAA, ‘COI Report - Syria: Country Focus’ van 25 maart 2025, https://euaa.europa.eu/publications/coi-report-syria-country-focus.

Voetnoot 11

Uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.

Voetnoot 12

Uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.

Voetnoot 13

Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

Voetnoot 14

AAB 2025, p. 24-26.

Voetnoot 15

International Crisis Group, ‘Finding a Path Through a Perilous Moment for Post-Assad Syria’, 10 maart 2025.

Voetnoot 16

De minister wijst op een artikel van Shafaq News van 10 februari 2025, https://shafaq.com/en/World/Syria-s-Al-Sharaa-Thousands-join-new-army, een artikel van Syria Direct van 25 februari 2025, https://syriadirect.org/syrians-continue-to-flock-to-lebanon-after-the-regimes-fall/ en een artikel van Syrian Arab News Agency (SANA) van 16 januari 2025, https://sana.sy/?p=2182909.

Voetnoot 17

https://stratnewsglobal.com/syria/islamist-ruled-syria-welcomes-night-of-music-dance-and-song/.

Voetnoot 18

https://www.reuters.com/world/middle-east/dancing-damascus-syrians-cling-culture-under-islamists-rule-2025-02-22/.

Voetnoot 19

https://www.npr.org/2025/03/31/nx-s1-5343375/syria-damascus-bars.

Voetnoot 20

https://www.france24.com/en/live-news/20241214-syrian-pubs-cautiously-reopen-after-islamist-victory.

Voetnoot 21

https://euaa.europa.eu/publications/coi-report-syria-country-focus.

Voetnoot 22

AAB 2025, p. 112.

Voetnoot 23

https://cihrs-rowaq.org/views-the-struggles-of-musicians-in-syria-politics-control-and-

resilience/?lang=en.

Voetnoot 24

https://www.middleeastmonitor.com/20250113-new-leader-sharaa-expects-return-of-most-syria-citizens-within-2-years/.

Voetnoot 25

AAB 2025, p. 132.

Voetnoot 26

Richtlijn (EG) nr. 2004/83. Geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Voetnoot 27

ECLI:EU:C:2023:843.

Voetnoot 28

Arrest van het Hof van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472.

Voetnoot 29

Uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.

Voetnoot 30

Staatscourant 2025, 20828.

Voetnoot 31

Eiser wijst op paragraaf 3.3.3.2 van het AAB 2025.

Voetnoot 32

AAB 2025, pagina’s 135 en 138.

Voetnoot 33

AAB 2025, p. 128.

Voetnoot 34

ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.

Voetnoot 35

ECLI:NL:RBDHA:2025:14097.

Voetnoot 36

Zie de uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822.

Voetnoot 37

ECLI:NL:RBDHA:2025:24023. Verder wijst eiser op uitspraken van zittingsplaats Haarlem van 19 februari 2026, NL25.42267, 10 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6002 en van 19 maart 2026, NL26.3240, een uitspraak van zittingsplaats Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, een uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 23 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7137 en een uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 24 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9912.

Voetnoot 38

EUAA, ‘COI Report - Syria: Country Focus’, 25 maart 2025.

Voetnoot 39

Pagina’s 30-35, 39, 46, 61, 93, 100, 112, 117, 124, 128, 132, 134-135 en 138.

Voetnoot 40

Pagina’s 30, 48-51, 132 en 138.

Voetnoot 41

Artikel van 13 mei 2026, ‘Illegal Israeli Attacks Exacerbate Instability in Southern Syria’ en een ongedateerde blogpost van HRW, ‘Syria - Events of 2025’.

Voetnoot 42

De uitspraak van zittingsplaats Groningen van 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466, van zittingsplaats Utrecht van 3 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1931, van zittingsplaats Den Haag van 7 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10896 en van zittingsplaats Arnhem van 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12595.

Voetnoot 43

ECLI:NL:RBDHA:2025:24023, r.o. 5.9.8.

Voetnoot 44

AAB 2026, p. 48.

Voetnoot 45

Informatie over de humanitaire situatie in Syrië is in het AAB 2025 weergegeven op pagina’s 85 en 133-135 en in het AAB 2026 op pagina’s 145-149 onder ‘Problemen na terugkeer vanuit buitenland’.

Voetnoot 46

Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.

Voetnoot 47

Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1432, r.o. 7.1.

Voetnoot 48

Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2757