RECHTBANK DEN HAAG
Zaaknummers: NL26.21647 (beroep) en NL26.21648 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser]
, geboren op [geboortedag] 1995 en van Algerijnse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna eiser)
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
alias
[eiser] , geboren op [geboortedag] 1994 en van Algerijnse nationaliteit,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser zoals bedoeld in artikel 28 van de Vw (Voetnoot 1). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tevens heeft eiser om een voorlopige voorziening verzocht die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
2.2.
De behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening is op de zitting van 8 juni 2026 aangehouden, omdat het transport van eiser vanuit de detentie-instelling niet was geregeld.
2.3.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep op 8 juli 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Bourik als tolk in de Arabische (Algerijnse) taal en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft eerder op 1 september 2025 asiel aangevraagd. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en zich zodoende aan het toezicht heeft onttrokken wat het vermoeden rechtvaardigt dat hij zich wederom zal onttrekken aan het toezicht. Bij dit besluit is een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Het hiertegen ingestelde beroep is op 31 maart 2026 ingetrokken.
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft Algerije verlaten vanwege problemen die hij heeft ondervonden, omdat hij geadopteerd is. Hij heeft hierdoor geen documenten, waardoor hij weleens problemen heeft gehad bij politiecontroles en het is lastig om werk te vinden. Daarnaast is hij door zijn adoptiemoeder mishandeld en is hij slachtoffer geworden van seksueel misbruik door zijn buurjongens. Daarna werd hij in de buurt uitgescholden. Bij terugkeer vreest hij weer slachtoffer te worden van geweld, dat hij de dienstplicht moet vervullen of dat hij in detentie komt omdat hij in Europa een asielaanvraag heeft gedaan.
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;2. problemen in Algerije vanwege zijn adoptie en het seksuele misbruik.
5.1
Verweerder acht de nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De identiteit wordt niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn identiteit niet met objectieve documenten onderbouwd en er is een alias van hem bekend. Ingezien wordt dat eiser geen opleiding heeft gehad, waardoor hij niet kan lezen en schrijven. Het wordt hem door verweerder dan ook niet aangerekend dat hij zich niet op schriftelijke wijze kan uitdrukken ten aanzien van zijn identiteit. Desalniettemin stelt eiser altijd een vaccinatieboekje te hebben gehad met zijn gegevens totdat hij die kwijtraakte. Omdat hij wel bekend is met de gegevens in het vaccinatieboekje mag van eiser worden verwacht dat hij eenduidig kan verklaren over zijn naam en geboortedatum, ook al kan hij niet lezen en schrijven. Tevens kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat hij naast dat van hem een alias bekend is, een keer met onbekende bestemming is vertrokken en eerder een asielaanvraag heeft ingetrokken. Hij voldoet dus niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw. Verder laat verweerder de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief in het midden, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrees vanwege discriminatie van zijn etniciteit, problemen vanwege zijn adoptie en het seksuele misbruik en het vervullen van de militaire dienstplicht niet aannemelijk is gemaakt. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag als kennelijk ongegrond (Voetnoot 2) kan worden afgewezen en dat het eerder uitgevaardigde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar kunnen worden gehandhaafd.
Bespreking van de beroepsgronden
6. Eiser heeft in het kort het volgende aangevoerd. Verweerder heeft de geloofwaardigheidsbeoordeling van Werkinstructie (WI) 2024/6 op onjuiste wijze toegepast, waardoor de beoordeling in strijd is met het Unierecht. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025 (Voetnoot 3). Er is geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling uitgevoerd, waardoor het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Verder had verweerder niet zomaar kunnen tegenwerpen dat sprake is van inconsistenties in procesgedrag en is er onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Er is sprake van een ondeugdelijke en innerlijk tegenstrijdige motivering. Daarnaast is de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat een diepgaande beoordeling, zoals verweerder die heeft gemaakt, zich niet verhoudt met het karakter van artikel 30b van de Vw.
6.1.
De rechtbank overweegt eerst dat de inhoud van de beroepsgronden nagenoeg een herhaling is van de zienswijze. De gemachtigde van eiser heeft de beroepsgronden in algemene bewoordingen geformuleerd zonder concreet te maken op welke onderdelen het bestreden besluit, waarin gemotiveerd is ingegaan op de inhoud van de zienswijze, tekort schiet. Ook bij navraag op zitting, is die concretisering achterwege gebleven.
6.2.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de in WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling in iedere asielzaak zonder meer leidt tot
een met het Unierecht of het EVRM (Voetnoot 4) strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. Wel zijn er
situaties denkbaar waarin de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak kan leiden tot
een geloofwaardigheidsbeoordeling die in strijd is met artikel 4 van de
Kwalificatierichtlijn (Voetnoot 5). De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7.1 van de uitspraak van deze rechtbank, en zittingsplaats van 24 november 2025 (Voetnoot 6), waarin zij al eerder tot dit oordeel kwam. Uit deze uitspraak volgt dat per individuele zaak moet worden
beoordeeld of de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in lijn met het (Unie)recht is.
6.2.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit zijn werkwijze ten aanzien van de geloofwaardigheid uitgelegd. Eiser heeft niet concreet aangeven op welke onderdelen in het bestreden besluit verweerder heeft gehandeld in strijd met het beoordelingskader of het Unierechtelijke toetsingskader. De rechtbank ziet met verweerder niet in op welke onderdelen de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder in deze, in strijd is geweest met de WI 2024/6 of het Unierecht.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze zaak gemotiveerd en terecht aangegeven waarom de identiteit van eiser niet geloofwaardig wordt geacht. Verweerder heeft hierbij terecht betrokken dat eiser gebruik heeft gemaakt van een alias en dat hij geen documenten heeft overgelegd die zijn identiteit onderbouwen.
6.4.
De geloofwaardigheid van de problemen in Algerije vanwege de adoptie en
het seksuele misbruik wordt door verweerder in het bestreden besluit in het midden gelaten. Uit het beleid (Voetnoot 7) volgt dat verweerder in het kader van de toets aan artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vw, de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven beoordeelt, tenzij hij reden ziet om de feiten en omstandigheden alleen te beoordelen op zwaarwegendheid. In dat geval laat verweerder kenbaar de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden, met uitzondering van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling. Verweerder beoordeelt vervolgens de zwaarwegendheid van de geloofwaardig gevonden feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de asielmotieven of de zwaarwegendheid van de feiten en omstandigheden waarvan de geloofwaardigheid in het midden is gelaten.
6.4.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (Voetnoot 8) volgt dat deze werkwijze van verweerder niet onzorgvuldig is, mits alle verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt worden
genomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. (Voetnoot 9) Voor de bestuursrechter betekent dit dat bij de toetsing moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden. Dit is noodzakelijk om de besluitvorming daadwerkelijk en effectief op rechtmatigheid te kunnen toetsen.
6.4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen ten aanzien van eisers geloofwaardige problemen in Algerije vanwege de adoptie en het seksuele misbruik, zijn vrees voor discriminatie als gevolg van de adoptie en het seksueel misbruik en zijn vrees voor militaire dienstplicht of voor vervolging vanwege het ontduiken van de dienstplicht niet aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij is terecht door verweerder betrokken dat eiser na de problemen met zijn adoptiemoeder en het seksueel misbruik nog acht jaar in Algerije heeft verbleven zonder verdere problemen te hebben ondervonden.
6.5.
Verweerder heeft dus inhoudelijk gemotiveerd gereageerd op de punten uit de zienswijze, zo ook op het punt van het procesgedrag. Deze beroepsgrond net als de overige beroepsgronden zijn niet voorzien van een concrete onderbouwing vanuit de verklaringen van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van geen van de genoemde beroepsgronden sprake van een ondeugdelijk en innerlijk tegenstrijdige motivering.
6.6.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder de asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Dat een kennelijk ongegrondverklaring uitsluitend is voorbehouden aan gevallen waarin zonder nadere beoordeling onmiddellijk en evident vaststaat dat de aanvraag ongegrond is, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft kenbaar gemotiveerd waarom artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw van toepassing is. Namelijk omdat eiser verweerder heeft misleid omtrent zijn identiteit door gebruik te maken van een alias en geen documenten heeft overgelegd die zijn identiteit aantonen.
6.7.
De gemachtigde van eiser heeft op zitting de rechtbank verzocht om conform de arresten Quotal (Voetnoot 10) en Ebilum (Voetnoot 11) van 4 juni 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie zelf de geloofwaardigheid van de asielmotieven te toetsen en zelf in de zaak te voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank leidt in dit geval het zelf toetsen van de geloofwaardigheid en zelf voorzien in de zaak niet tot een andere uitkomst, omdat de rechtbank van oordeel is dat verweerder terecht de asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, zoals in het voorgaande is overwogen.
Conclusie en gevolgen
7. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.21647:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.21648:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.