Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357

Op 10 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.56506, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:19357. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.56506
Datum uitspraak:
10 July 2026
Datum publicatie:
13 July 2026

Indicatie

Intrekking van reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitair’. Bij het bestreden besluit heeft de minister ook geweigerd om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijk humanitair’ te verlenen. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de intrekking van de verblijfsvergunning deugdelijk heeft gemotiveerd. Ook heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat er niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier aan eiseres wordt verleend en dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiseres heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.56506

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijk humanitair’ per 16 juli 2024. Bij dit bestreden besluit heeft de minister ook geweigerd om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijk humanitair’ te verlenen. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de intrekking van de verblijfsvergunning deugdelijk heeft gemotiveerd. Ook heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat er niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier aan eiseres wordt verleend en dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiseres heeft dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiseres komt uit Uganda en heeft op 5 februari 2023 een asielaanvraag ingediend voor zichzelf en haar minderjarige dochter. Eiseres heeft ook een minderjarige zoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Op de asielaanvraag is nog niet beslist.

3. Eiseres heeft op 25 juni 2024 aangifte van mensenhandel gedaan. Naar aanleiding van die aangifte heeft de minister in het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel aan eiseres op 10 juli 2024 een kennisgeving uitgebracht dat hij aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ verleend, met een geldigheidsduur van 10 juli 2024 tot 10 juli 2025.

4. Op 16 juli 2024 heeft het Openbaar Ministerie (OM) na bestudering van het dossier besloten niet over te gaan tot vervolging naar aanleiding van de aangifte van mensenhandel. De reden hiervoor is dat Nederland geen rechtsmacht voor de feiten waarvan eiseres aangifte heeft gedaan. Verder heeft het OM besloten de zaak niet over te dragen aan Turkije of Griekenland omdat de aangifte in combinatie met het verrichte opsporingsonderzoek daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bieden.

5. Op 17 juli 2024 heeft de minister aan eiseres zijn voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 16 juli 2024 bekend gemaakt, omdat het strafrechtelijk onderzoek is geëindigd en zij daarom niet meer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. In het primaire besluit van 27 februari 2025 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiseres per 16 juli 2024 ingetrokken, omdat zij niet meer voldoet aan de beperking waaronder deze was verleend. Bij de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij de intrekking gebleven. De minister heeft in het bestreden besluit geen aanleiding gezien aan eiseres een verblijfsvergunning regulier op niet-tijdelijke humanitaire gronden te verlenen, omdat eiseres volgens de minister haar verzoek daartoe onvoldoende heeft onderbouwd. De minister heeft ook geen aanleiding gezien om eiseres een verblijfsrecht toe te kennen op grond van artikel 8 van het EVRM of vast te stellen dat zij verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU.

6. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

7. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld, tegelijk met het beroep van eiseres in de zaak NL25.44389. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Over het griffierecht

8. Eiseres heeft verzocht om te worden vrijgesteld van betaling van het griffierecht. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de vereisten voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.

Over de intrekking van de verblijfsvergunning

9. Artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) geeft de minister de bevoegdheid om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Deze vergunning wordt verleend onder beperkingen die verband houden met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. (Voetnoot 1) Eén van die mogelijke beperkingen volgt uit de Verblijfsregeling Mensenhandel (Voetnoot 2): Aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever is van mensenhandel kan een verblijfsvergunning worden verleend gedurende de looptijd van het strafrechtelijk onderzoek. De minister trekt de verblijfsvergunning van een slachtoffer van mensenhandel in als het strafrechtelijk onderzoek is geëindigd. (Voetnoot 3)

10. Eiseres betoogt dat de datum van intrekking niet juist is omdat haar verblijfsdocument nog niet was uitgereikt toen de minister de verblijfsvergunning introk. Zij stelt dat de kennisgeving van 10 juli 2024 geen besluit is en dat pas met het uitreiken van het verblijfsdocument aan haar een verblijfsvergunning zou worden verleend. Omdat het verblijfsdocument niet is uitgereikt, kan de vergunning ook niet worden ingetrokken, aldus eiseres.

10.1.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Voor het antwoord op de vraag of de kennisgeving van 10 juli 2024 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, is bepalend of die kennisgeving is gericht op rechtsgevolg. Dat is het geval als de minister er een verandering mee beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van de vreemdeling. (Voetnoot 4) Naar het oordeel van de rechtbank is de kennisgeving van 10 juli 2024 gericht op rechtsgevolg en dus een besluit. De minister beoogt immers aan eiseres een verblijfsrecht toe te kennen, met ingang van 10 juli 2024 tot 10 juli 2025. Dat het verblijfsdocument pas later aan eiseres zou worden uitgereikt, betekent niet dat de kennisgeving niet meer is gericht op voormeld rechtsgevolg. Het betoog van eiseres dat de verblijfsvergunning niet per 16 juli 2024 kon worden ingetrokken, omdat het besluit toen nog niet in werking was getreden, slaagt daarom niet.

10.2.

Met het sepotbesluit van het OM van 16 juli 2024 is de beperking op grond waarvan deze verblijfsvergunning was verleend, komen te vervallen. Dat heeft eiseres tijdens de zitting ook erkend. De minister mocht de verblijfsvergunning ‘tijdelijk humanitair’ daarom intrekken per 16 juli 2024.

Had de minister eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ moeten verlenen?

11. De minister kan zowel ambtshalve als op aanvraag een verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’ verlenen als de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel niet van hem kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat. (Voetnoot 5) De vreemdeling moet dus aannemelijk maken dat hij slachtoffer is van mensenhandel én dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat van hem niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat, zodat aan hem een verblijfsvergunning moet worden verleend. De minister heeft voor de doortoets-mogelijkheid van artikel 3.6b van het Vb het Informatiebericht (IB) 2024/19 opgesteld. Hierin staat dat de minister gebruik zal maken van de bevoegdheid om door te toetsen als: 1. de vreemdeling aangeeft ook in aanmerking te komen voor een beperking verband houdend met medische behandeling, tijdelijke humanitaire gronden of niet-tijdelijke humanitaire gronden (art. 3.6b, onder a, Vb), mits (i) deze beperking in nauw verband staat tot dan wel in het verlengde ligt van de eerst gevraagde beperking of de huidige verblijfsvergunning en (ii) voldoende is onderbouwd; en of 2. de vreemdeling mogelijk familie- of gezinsleven, en of privéleven heeft in de zin van artikel 8 EVRM (artikel 3.6b, onder c, Vb). Als de verblijfsaanspraken onvoldoende zijn onderbouwd en er door de minister dus nog veel (tijdrovende) inspanningen moeten worden verricht voordat er ambtshalve een beslissing kan worden genomen, weegt het belang van de minister zwaarder dan dat van de vreemdeling bij een ambtshalve oordeel. In het besluit wordt daarom uitgelegd waarom er niet wordt doorgetoetst en dat er dus een aparte aanvraag moet worden ingediend. De rechtbank acht IB 2024/19 niet onredelijk.

12. Eiseres voert aan dat de minister had de verblijfsvergunning moeten wijzigen naar niet-tijdelijke humanitaire gronden. Volgens eiseres heeft zij als slachtoffer van mensenhandel recht op bescherming en vreest zij zowel in Nederland als in Uganda voor de mensenhandelaren.

12.1.

De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiseres haar aanspraak op een verblijfsvergunning onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden zeer summier heeft toegelicht en dat daarom niet ambtshalve wordt doorgetoetst aan dit verblijfsdoel. De rechtbank merkt hierbij op dat eiseres slechts een procedureel tijdelijk rechtmatig verblijf had in afwachting van een nader onderzoek naar slachtofferschap van mensenhandel. Hieruit kan niet de conclusie getrokken worden dat zij slachtoffer is van mensenhandel, dat was immers in onderzoek. Als eiseres vervolgens een beroep op artikel 3.6b van het Vb doet, omdat zij meent dat niet van haar gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat in verband met bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, dan ligt het op de weg van eiseres om die bijzondere individuele omstandigheden in verband met mensenhandel aannemelijk te maken. Dat heeft eiseres nu nog onvoldoende gedaan. De minister heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat eiseres alleen aanvoert dat zij vreest voor de mannen en getraumatiseerd is. Zij heeft hierover summier verklaard en dit niet met documenten gestaafd. De rechtbank oordeelt daarom dat de minister niet ten onrechte stelt en voldoende heeft toegelicht dat hij niet ambtshalve hoeft door te toetsen, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van voldoende onderbouwing (voorwaarde ii) in het IB 2024/19. Het staat eiseres vrij om in de lopende asielprocedure of in een nieuwe aanvraag de mensenhandel problematiek onder de aandacht te brengen en verder te onderbouwen.

Had de minister op grond van artikel 8 EVRM een verblijfsvergunning moeten verlenen?

13. Eiseres voert aan dat terugkeer naar Griekenland, waar zij volgens de minister een verblijfsrecht heeft, in strijd is met artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK. Volgens eiseres is ook onduidelijk of het verblijfsrecht in Griekenland nog wel bestaat. Tijdens de zitting heeft eiseres aangevoerd dat het Griekse verblijfsrecht niet kan worden tegengeworpen, omdat gelet op het arrest Safi (Voetnoot 6) niet van haar zoon kan worden verlangd naar Griekenland te gaan.

13.1.

De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De minister heeft in het bestreden besluit en het daarin ingelaste primaire besluit getoetst aan artikel 8 van het EVRM. De minister stelt hierover terecht dat intrekking van de verblijfsvergunning niet leidt tot een scheiding van haar gezinsleden. Eiseres en haar dochter hebben allebei nog rechtmatig verblijf in afwachting van een beslissing op hun asielaanvraag. Zij hoeven Nederland dus niet te verlaten en kunnen het familie- en privéleven blijven uitoefenen zoals zij tot nu toe hebben gedaan. Het betoog over artikel 8 van het EVRM en het beroep op het arrest Safi slaagt daarom niet. Dit betoog kan in de asielprocedure aan de orde komen. De rechtbank merkt hierover op dat de minister heeft toegezegd dat in dat geval de beoordeling conform het arrest Safi zal plaatsvinden.

Is het besluit in strijd met artikel 3 van het EVRM of onevenredig?

14. Ook het betoog van eiseres dat het besluit in strijd is met artikel 3 van het EVRM, slaagt niet. Dat geldt ook voor het betoog dat intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht onevenredig is omdat eiseres dan moet terugkeren naar Uganda. De intrekking van de verblijfsvergunning leidt er immers niet toe dat eiseres moet vertrekken uit Nederland. De minister heeft in het bestreden besluit geen terugkeerbesluit genomen en geen vertrekplicht opgelegd. Of terugkeer naar Uganda in strijd is met artikel 3 van het EVRM zal aan de orde komen bij de behandeling van haar asielaanvraag.

Tot slot

15. De rechtbank begrijpt dat eiseres vindt dat het te lang duurt voordat de minister op haar asielaanvraag beslist en dat zij behoefte heeft aan duidelijkheid over haar verblijfspositie in Nederland. Dit is ook tijdens de zitting besproken. De rechtbank kan in deze procedure echter geen oordeel geven over de lange duur van de asielprocedure. Deze beroepsprocedure is beperkt tot de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de weigering om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat wat eiseres heeft daarover heeft aangevoerd niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk heeft en het besluit om de verleende verblijfsvergunning in te trekken en geen ambtshalve verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijk humanitair’ te verlenen in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

10 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie artikel 14, derde lid, van de Vw.

Voetnoot 2

Zie artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) gelezen in samenhang met paragraaf B8/3 e.v. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en paragraaf B9/12 e.v. van de Vc.

Voetnoot 3

Zie paragraaf B8/3.2 van de Vc.

Voetnoot 4

Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5256.

Voetnoot 5

Dit is geregeld in respectievelijk artikel 3.6b van het Vb en in artikel 3.51, vierde lid, van het Vb, gelezen in samenhang met artikel 3.24aa, tweede lid, onder f, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) en paragraaf B9/12 van de Vc.

Voetnoot 6

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:442.