Procesverloop
Procesverloop
1. De minister heeft op 12 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (Voetnoot 1) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het beroep schriftelijk behandeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op 13 juli 2026 gesloten.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 april 2026 (Voetnoot 2) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 april 2026 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. Eiser draagt met betrekking tot het voortvarend handelen aan dat ruim vier weken zijn verstreken tussen de nationaliteitsbevestiging en de daadwerkelijke uitzetting die gepland staat op 14 juli 2026. Eiser stelt dat, omdat deze termijn vier weken duurde, niet inzichtelijk is gemaakt waarom deze termijn noodzakelijk was en dat hierom sprake is van een onzorgvuldig identificatie- en uitzettingsproces. Ook is niet duidelijk is welke gegevens daarvoor zijn gebruikt. Verder stelt eiser dat tijdens het vertrekgesprek van 15 juni 2026 over het vertrekproces en de stand van zaken hiervan, andere informatie is verstrekt dan uit de voortgangsrapportage blijkt. Eiser stelt dat dit ook vragen oproept rondom de zorgvuldigheid hiervan.
5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling (Voetnoot 3) van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Algerije niet (meer) ontbreekt. (Voetnoot 4) De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp (Voetnoot 5) voor eiser te zullen verstrekken. Dat nog geen reactie is ontvangen op de rappels en nog geen presentatie bij de Algerijnse autoriteiten heeft plaatsgevonden, rechtvaardigt niet de conclusie dat geen zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank betrekt hierbij dat een lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd in beslag neemt, zeker wanneer de vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd. Dat eiser stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt waarom deze termijn vier weken duurde en waarom dit noodzakelijk was, doet hier dan ook niet aan af. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de nationaliteit van eiser op 13 juni 2026 is bevestigd en dat dit op 16 juni 2026 door de DIA (Voetnoot 6) is meegedeeld aan de regievoerder van eiser. Vervolgens is op 18 juni 2026 een vlucht naar Algerije aangevraagd. Deze stond gepland voor 14 juli 2026. De rechtbank oordeelt dat de minister het tijdsverloop voldoende heeft toegelicht. De beroepsgrond slaagt niet.
5.1.
Ten aanzien van wat eiser stelt over het vertrekgesprek van 15 juni 2026 overweegt de rechtbank dat eiser in dit gesprek is geïnformeerd over de stand van zaken in zijn vertrekprocedure. Eiser is op de hoogte gebracht wat van hem wordt verwacht en welke stappen zijn gezet voor zijn voorgenomen uitzetting. Daarnaast geldt dat het verslag een samenvatting is van het gevoerde gesprek en geen letterlijke weergave. De beroepsgrond slaagt niet.
5.2.
Tot slot heeft de minister in het verweerschrift meegedeeld dat de Algerijnse autoriteiten op 9 juli 2026 de toezegging tot een lp hebben ingetrokken. Er blijkt een administratieve fout te zijn gemaakt waardoor de nationaliteit van eiser foutief is bevestigd. De lp-aanvraag van eiser blijft in onderzoek maar de reeds geplande vlucht van 14 juli 2026 is geannuleerd. De rechtbank overweegt dat deze administratieve fout niet maakt dat in zijn geheel geen lp voor eiser zal worden afgegeven; evenmin betekent dit dat de minister niet voortvarend handelt. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat eiser tot dusver nauwelijks meewerkt aan zijn uitzettingsproces, de presentatie heeft geweigerd en meermaals heeft gezegd niette zullen meewerken aan vertrek naar Algerije. De rechtbank is van oordeel dat er nog altijd zicht op uitzetting bestaat.
5.3.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 24 april 2026 op enig moment onrechtmatig was. (Voetnoot 7) De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser nog geen zes maanden in bewaring zit. (Voetnoot 8)
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.