Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19426

Op 14 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.36841, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:19426. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.36841
Datum uitspraak:
14 July 2026
Datum publicatie:
14 July 2026

Indicatie

Eerste beroep bewaring – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.36841

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 2 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (Voetnoot 1) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 7 juli 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 13 juli 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 14 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb (Voetnoot 2) zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

2. Eiser stelt verweerder onvoldoende heeft onderzocht of hij ten tijde van de inbewaringstelling verblijfsrecht ontleende aan het Unierecht. Ook meent hij dat de inbewaringstelling is gericht op overlastbestrijding en niet op de effectuering van vertrek of verwijdering.

3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

4. Het Hof (Voetnoot 3) heeft in het arrest FS (Voetnoot 4) geoordeeld dat, om opnieuw in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht op hetzelfde grondgebied krachtens artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn (Voetnoot 5), de burger van de Unie ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen, het grondgebied van het gastland niet alleen fysiek moet hebben verlaten, maar ook zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief moet hebben beëindigd, zodat bij zijn terugkeer naar dat grondgebied niet kan worden aangenomen dat zijn verblijf in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf op dat grondgebied.

5. Bij besluit van 9 december 2024, uitgereikt aan eiser op 11 december 2024, heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en dat hij het grondgebied binnen een maand moet verlaten. De rechtbank stelt vast dat eiser op 14 maart 2025 voor het eerst is uitgezet naar Roemenië. Vervolgens is hij nog drie keer uitgezet, te weten op 16 december 2025, 2 april 2026 en 28 april 2026. Eiser is iedere keer snel teruggekeerd naar Nederland. Niet is gebleken dat eiser zijn verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd; hij heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat hij in Roemenië heeft geprobeerd een leven op te bouwen. De terugkeer van eiser is daarmee een voortzetting van zijn eerdere verblijf in Nederland. Dit betekent dan ook dat geen nieuwe vrije termijn is gaan lopen en het besluit van 9 december 2024 nog steeds werking heeft. Nu vaststaat dat op eiser een vertrekplicht rust en hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, is verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring.

6. De rechtbank stelt verder vast dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet zijn betwist door eiser. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Dit maakt dat een risico op onderduiken gegeven is.

Lichter middel

7. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan. Uit het dossier blijkt niet van een concrete, individuele afweging waarom bijvoorbeeld een meldplicht niet toereikend zou zijn.

8. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het onderduikrisico te ondervangen. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eiser meermaals gedwongen is uitgezet naar Roemenië, wat het onwaarschijnlijk maakt dat hij dit keer zelfstandig zal vertrekken. Ten aanzien van eisers medische omstandigheden heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet detentieongeschikt is en dat in het detentiecentrum adequate medische zorg aanwezig is waar eiser een beroep op kan doen. Tot slot is ook niet gebleken van feiten en omstandigheden die de maatregel onevenredig bezwarend maken voor eiser.

Ambtshalve toets

9. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Vreemdelingenbesluit 2000.

Voetnoot 3

Het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Voetnoot 4

Arrest van 22 juni 2021, zaak C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.

Voetnoot 5

Richtlijn 2004/38/EG.