Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19775

Op 17 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.4656, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:19775. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.4656
Datum uitspraak:
17 July 2026
Datum publicatie:
17 July 2026

Indicatie

Opvolgende asielaanvraag. De minister heeft terecht overwogen dat eiser de gestelde identiteitsgroei, en daarmee zijn seksuele gerichtheid, niet alsnog geloofwaardig heeft gemaakt. Beroep ongegrond, proceskostenvergoeding toegekend vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrechtzaaknummer: NL26.4656

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],

van Nigeriaanse nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Een terugkeerbesluit was al aan eiser opgelegd en is nog van kracht.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (Voetnoot 1) te treffen.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat sprake is van identiteitsgroei voor wat betreft zijn homoseksualiteit. Eiser legt dit uit als het eerlijk durven zijn over zijn homoseksualiteit en het beter daarover kunnen verklaren. Daarnaast heeft eiser een relatie met een man in Nederland en hij bezoekt bijeenkomsten van de stichting Rainbow Den Haag. Eiser heeft een aantal documenten overgelegd waarmee hij zijn homoseksuele gerichtheid alsnog wil aantonen.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

seksuele gerichtheid.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit is vermeld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst in de vorige procedure al geloofwaardig zijn geacht. De minister heeft op de zitting bevestigd dat dit onjuist is en dat dit ook in het voornemen onjuist staat vermeld. In de vorige procedure is vastgesteld dat de nationaliteit van eiser geloofwaardig is, maar zijn identiteit en herkomst niet. Dit staat in rechte vast en eiser heeft hier in onderhavige procedure geen gronden tegen gericht. Door de onjuiste vermelding bevatten zowel het voornemen als het bestreden besluit een gebrek. Omdat niet is gesteld en ook niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad, passeert de rechtbank het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb (Voetnoot 2).

4.2.

De minister vindt dus nog steeds dat de nationaliteit van eiser geloofwaardig is, maar zijn identiteit, herkomst en seksuele gerichtheid niet. De minister stelt zich op het standpunt dat dit de tweede asielaanvraag van eiser is waarin zijn seksuele gerichtheid wordt aangevoerd als asielmotief. Daarom mag de minister in deze procedure meer van eiser verwachten. Eiser heeft namelijk al eerder de kans gehad om over zijn gerichtheid te verklaren. Bovendien heeft eiser zelf aangegeven nu beter te kunnen verklaren. Eiser geeft geen inzicht in de door hem gestelde identiteitsgroei. Hij kan geen verschil noemen ten opzichte van de vorige procedure, behalve dat hij nu durft aan te geven homoseksueel te zijn. Maar dit heeft eiser volgens de minister in de vorige procedure ook durven aangeven. Daarnaast heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt hoe de deelname aan de bijeenkomsten van de stichting Rainbow hebben bijgedragen aan zijn gestelde identiteitsgroei. Ook de verklaringen ten aanzien van zijn gestelde relatie in Nederland overtuigen niet. Tot slot maken ook de door eiser overgelegde documenten niet dat eiser wordt gevolgd in zijn gestelde homoseksuele gerichtheid.

Identiteitsgroei

5. Eiser vindt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is. Het besluit is daarom onzorgvuldig.

Door zijn langdurige verblijf in Nederland, de vele contacten met LHBTI-organisaties en de relatie met zijn partner is bij eiser sprake van identiteitsgroei. Eiser betwist in de eerste plaats dat uit zijn verklaringen niet zou blijken waarom het bijwonen van bijeenkomsten van LHBTI-organisaties voor hem belangrijk is. Hij heeft immers aangegeven dat hij zich herkent in de andere deelnemers van de bijeenkomsten en dat zij hem aanmoedigen zich niet te schamen voor wie hij is. Ten aanzien van zijn relatie stelt eiser dat hij het moeilijk vindt om over zijn gevoelens en gedachten te verklaren. Desondanks heeft hij een authentiek verhaal naar voren gebracht, zoals bedoeld in WI 2019/17 (Voetnoot 3). Ter onderbouwing van zijn verklaringen heeft eiser een aantal stukken overgelegd, waaronder verklaringen van de coördinator van de Stichting Rainbow Den Haag, van zijn partner en een kopie van diens verblijfsdocument. Anders dan de minister stelt, is de getypte verklaring van zijn partner objectief verifieerbaar. Eiser merkt daarnaast op dat zijn partner geen enkele reden heeft om onjuist te verklaren. De minister heeft de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde stukken onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. Daarnaast heeft de minister ten onrechte niet de compensatiemogelijkheid toegepast met betrekking tot de minder sterke verklaringen van eiser.

5.1.

De rechtbank overweegt dat voor de beoordelingen van asielaanvragen waarbij seksuele gerichtheid als asielmotief wordt aangevoerd, het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt vanuit zijn eigen ervaringen. Dit geldt temeer in een geval als dit, waarbij de vreemdeling al in een eerdere procedure heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en ook bekend is met de redenen waarom de minister destijds de gestelde seksuele gerichtheid niet geloofwaardig heeft geacht. Dit neemt niet weg dat de minister een integrale beoordeling moet verrichten. Bij die beoordeling worden de verklaringen van de vreemdeling over de verschillende in de WI 2019/17 genoemde thema’s uitdrukkelijk in hun onderlinge samenhang én in het licht van de overige verklaringen en het overgelegde bewijsmateriaal bezien. (Voetnoot 4)

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser de identiteitsgroei voor wat betreft zijn seksuele gerichtheid, en daarmee de gestelde homoseksualiteit, niet geloofwaardig heeft gemaakt. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat eiser al langdurig in Nederland verblijft en zelf heeft aangegeven nu beter te kunnen verklaren. De minister heeft het hem daarom kunnen tegenwerpen dat hij vervolgens aangeeft niet te begrijpen wat identiteitsgroei is. De stelling van eiser dat het moeilijk voor hem is te verklaren over zijn gevoelens, maakt dit niet anders. Zoals door de minister terecht op de zitting is opgemerkt, is dit in strijd met de stelling van eiser dat hij beter kan verklaren over de gestelde identiteitsgroei. Eiser geeft daarnaast aan dat het enige verschil ten opzichte van de vorige procedure is dat hij nu openlijk homoseksueel durft te zijn en daar nu meer over durft te vertellen. De minister heeft terecht opgemerkt dat eiser in de voorgaande procedure ook open was over zijn seksuele gerichtheid en hij destijds zonder angst of schaamte verklaarde. Eiser stelt dat zijn angst is verdwenen door het bijwonen van bijeenkomsten van Stichting Rainbow Den Haag, waar de deelnemers elkaar aanmoedigen niet meer bang te zijn. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat eiser oppervlakkig blijft wanneer hij wordt gevraagd dit toe te lichten of wat dit voor hem betekent. Eiser blijft steken in algemeenheden zoals dat de aanwezigen met elkaar praten en dat het contact met hen eiser blij maakt. Deze verklaringen geven onvoldoende inzicht in het gevoelsleven van eiser, temeer nu eiser aan de asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd nu beter te kunnen verklaren. De verklaring van de coördinator van Stichting Rainbow maakt dit niet anders. Hieruit blijkt de (enkele) deelname van eiser aan bijeenkomsten, maar niet zonder meer zijn seksuele gerichtheid of waarom het bijwonen van bijeenkomsten persoonlijk voor eiser belangrijk is.

5.3.

Ook de verklaringen van eiser ten aanzien van zijn relatie heeft de minister terecht onvoldoende overtuigend gevonden. De minister heeft in dat verband terecht opgemerkt dat het tegenstrijdig is dat eiser bij de eerste ontmoeting zijn levensverhaal aan zijn partner vertelde, terwijl eiser juist aangeeft dat hij destijds nog niet open over zijn seksuele gerichtheid durfde te zijn. Ook eisers overige verklaringen over zijn relatie heeft de minister terecht beoordeeld als te summier en niet overtuigend. Zo verklaart hij zeer summier over wat hij aantrekkelijk vindt aan zijn partner, diens karakter en hoe hun relatie eruitziet. Op de zitting heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser hiermee geen inzicht geeft in de relatie, het ontstaan en de ontwikkeling daarvan. De minister heeft daarnaast voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom ook de getypte verklaring van eisers partner en de kopie van diens verblijfsdocument niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid. Ook uit deze stukken kan immers niet worden opgemaakt hoe de relatie is ontstaan of zich heeft ontwikkeld. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de minister de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde stukken voldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Daarnaast heeft de minister terecht overwogen en ook voldoende gemotiveerd waarom de stukken de ontoereikende verklaringen van eiser niet compenseren.

Aanvullend horen, vluchtelingschap en artikel 3 van het EVRM  (Voetnoot 5)

6. Eiser stel verder dat hij vanwege zijn seksuele gerichtheid ernstig risico loopt bij terugkeer naar Nigeria en daarom in aanmerking zou moeten komen voor het vluchtelingschap. In ieder geval wacht hem bij terugkeer een onmenselijke behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser stelt tot slot dat de minister hem aanvullend had moeten horen en verwijst daarbij naar de samenwerkingsverplichting. Wanneer hij aanvullend was gehoord, had eiser meer kunnen vertellen over zijn partner, zijn contacten met de organisaties waar hij bij betrokken is en zijn verblijf als homoseksueel in Nederland. Ook om die reden is er sprake van een onzorgvuldig besluit.

6.1.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft de minister terecht gesteld dat eiser met zijn verklaringen en overgelegde documenten zijn seksuele gerichtheid niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank volgt eiser daarom niet in de stelling dat hij aanvullend gehoord had moeten worden. De enkele stelling dat hij dan meer had kunnen vertellen over zijn partner, zijn contacten binnen de stichting en zijn verblijf in Nederland als homoseksueel, is onvoldoende voor een ander oordeel. Er heeft in het kader van zijn opvolgende aanvraag een gehoor plaatsgevonden waarin eiser uitgebreid is bevraagd over deze onderwerpen. Eiser heeft niet concreet gemaakt wat hij nog meer of anders had willen verklaren, en/of waarom hij hier tijdens het gehoor niet toe in staat was. Van een zorgvuldigheidsgebrek of schending van de samenwerkingsverplichting is geen sprake.

Nu de seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is bevonden, wordt aan de toetsing aan het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM niet toegekomen en kan het beroep daarop niet slagen.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

7.1.

Vanwege het onder overweging 4.1. geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zaaknummer NL26.4657.

Voetnoot 2

Algemene wet bestuursrecht.

Voetnoot 3

Werkinstructie 2019/17.

Voetnoot 4

Zie ECLI:NL:RVS:2016:1630 en ECLI:NL:RVS:2020:1885.

Voetnoot 5

Het verbod op marteling, foltering en inhumane behandeling van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.