Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:2019

Op 5 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.44260, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:2019. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.44260
Datum uitspraak:
5 February 2026
Datum publicatie:
6 February 2026

Indicatie

Visum kort verblijf – regulier – bezwaarschrift is als kennelijk niet-ontvankelijk beoordeeld – geen bezwaargronden ingediend – e-mail zonder bijlage – beroep kennelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.44260

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Bonth).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf als kennelijk niet-ontvankelijk beoordeeld.

Eiser heeft op 12 september 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij het bestreden besluit eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen gronden van bezwaar kenbaar zijn gemaakt. Daarbij heeft verweerder afgezien van het horen van eiser.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn bezwaar ten onrechte als kennelijk niet-ontvankelijk is afgedaan. Hij stelt dat hij op 18 juni 2025 de gronden van bezwaar heeft ingediend via Veilig Mailen. Ter onderbouwing hiervan heeft hij bij zijn aanvullend beroepschrift van 13 oktober 2025 een e-mailbericht van 18 juni 2025 met het onderwerp “[eiser] ([V-nummer])” bijgevoegd, alsmede de gronden van bezwaar (dagtekening 18 juni 2025) en een ingevulde “Vragenlijst (1) Visumaanvraag” (ondertekendatum 4 juli 2025).

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard. In bezwaar zijn op 18 juni 2025 geen bijlagen meegestuurd. De in beroep overgelegde bijlagen bevinden zich niet in het digitale systeem van verweerder. Bovendien is de vragenlijst ondertekend op een datum die is gelegen na afloop van de door verweerder gestelde uiterste termijn voor het herstellen van het verzuim.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet degene die bezwaar maakt daarbij duidelijk maken waarom hij het niet eens is met het besluit waartegen hij bezwaar maakt (gronden van bezwaar). Als hij dat niet doet, kan het bestuursorgaan dat op het bezwaar beslist dat bezwaar op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Dat houdt in dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt behandeld. De indiener van het bezwaarschrift moet dan wel eerst een mogelijkheid hebben gehad om zijn verzuim te herstellen.

5. Op grond van artikel 7:3, onder a, van de Awb kan een hoorzitting in bezwaar achterwege blijven als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

6. Het inleidend bezwaarschrift van eiser van 8 mei 2025 bevat geen gronden. Verweerder heeft eiser bij brief van 28 mei 2025 in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken – gerekend vanaf de datum van de brief – alsnog de gronden van bezwaar in te dienen. Eiser diende dit dus uiterlijk 18 juni 2025 te doen.

7. Uit het door eiser overgelegde e-mailbericht van 18 juni 2025 blijkt niet dat dit bericht met bijgevoegde bijlagen is verzonden. Zo bevat de kop van het e-mailbericht geen vermelding van een bijlage, zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij de verzending van het inleidende bezwaarschrift bij e-mailbericht van 8 mei 2025. Ook overigens is niet aangetoond dat de gronden van bezwaar binnen de door verweerder gestelde termijn kenbaar zijn gemaakt. Voor zover verweerder er daarnaast op heeft gewezen dat eiser in bezwaar evenmin heeft voldaan aan het verzoek om binnen drie weken een ingevulde vragenlijst te retourneren, stelt de rechtbank vast dat verweerder dat verzuim niet heeft betrokken in de motivering van het bestreden besluit. Hier zal de rechtbank dan ook aan voorbijgaan.

8. Nu eiser heeft verzuimd om de gronden van bezwaar aan verweerder kenbaar te maken, heeft verweerder eisers bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daarbij kunnen afzien van het horen van eiser. Het beroep is om die reden kennelijk ongegrond.

9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 3 februari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.