Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:20275

Op 11 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.42242, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:20275. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.42242
Datum uitspraak:
11 March 2026
Datum publicatie:
21 July 2026

Indicatie

Asiel, Colombia, De rechtbank is van oordeel dat de minister de zogenoemde zwaarwegendheidsbeoordeling onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft niet beoordeeld of het asielrelaas van eiseres geloofwaardig is, maar uitsluitend of zij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico op ernstige schade loopt. Gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.42242 en AWB 25/17878

uitspraak van de enkelvoudige kamer 11 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister de zogenoemde zwaarwegendheidsbeoordeling onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft niet beoordeeld of het asielrelaas van eiseres geloofwaardig is, maar uitsluitend of zij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij het van belang acht dat eiseres volgens hem als sociaal leider geen hoog profiel heeft. Hij had dat wel moeten doen omdat uit het algemeen ambtsbericht Colombia van juni 2024 (algemeen ambtsbericht) volgt dat alle sociale leiders worden beschouwd als mensenrechtenverdedigers en dat niet alleen bij een hoog profiel sprake is van een reëel risico op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat een beschrijving van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 18 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiseres heeft zelfstandig beroep ingesteld, zaaknummer: AWB 25/17878, deze zaak wordt gevoegd behandeld met het door de gemachtigde van eiseres ingestelde beroep met zaaknummer: NL25.4228.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

2.3.

Op 3 februari 2026 heeft de minister laten weten dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft daarom het onderzoek op 12 februari 2026 heropend met het verzoek aan de gemachtigde van eiseres om de rechtbank te laten weten of zij nog contact met eiseres onderhoudt. Op 19 februari 2026 heeft de gemachtigde van eiseres laten weten dat zij nog altijd contact onderhoudt met eiseres en dat eiseres de minister schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van haar verblijfplaats in Nederland. De gemachtigde van eiseres heeft daarna op 3 maart 2026 aanvullende stukken over de reguliere procedure ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres wordt samen met haar broer bedreigd door de Clan del Golfo. Eiseres en haar broer zijn sociale leiders in hun wijk en organiseren evenementen. Deze evenementen hebben onder andere als doel om jongeren uit de handen van bendes te houden. Op 20 februari 2023 zijn eiseres en haar broer naar [naam wijk] gegaan om jongeren uit te nodigen voor sportevenementen waarbij een sportbeurs kan worden gewonnen. Twee mannen op een motorfiets blokkeerden voor hen de weg en vroegen hun wat ze daar deden. De broer van eiseres vertelde de twee mannen over het sportevenement en één van de onbekende mannen vertelde hun dat zij voorzichtig moesten zijn. Hierna vertrokken zij. Op een andere dag toen eiseres en haar broer speelgoed aan het uitdelen waren in dezelfde wijk, hoorden ze van een vrouw dat Paracos (paramilitairen van de Clan del Golfo) navraag deden naar hen. De directe aanleiding voor het vertrek van eiseres en haar broer vanuit Colombia op 7 april 2025 is de telefonische bedreiging die volgde op 12 maart 2025 aan de moeder van eiseres. De man aan de telefoon vertelde aan de moeder van eiseres dat eiseres en haar broer moesten stoppen met wat ze deden met de jongeren in dat gebied en dat iedereen die zich toch bemoeide met dat gebied ten dode was opgeschreven. De man zei ook dat eiseres en haar broer moeten weten wie aan de macht is in dat gebied. De broer van eiseres heeft aangifte gedaan en de politie gaf aan hen niet te kunnen beschermen. Later zagen zij twee personen aankomen op een motorfiets en zag de broer van eiseres dat één persoon een wapen tevoorschijn haalde. Deze twee personen hebben eiseres en haar broer weggejaagd uit het gebied.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. problemen met bendeleden.

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. De problemen met de bendeleden zijn niet op geloofwaardigheid beoordeeld. (Voetnoot 1) Dit asielmotief geeft hoe dan ook geen aanleiding tot het verlenen van een asielvergunning zoals bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, omdat eiseres haar gestelde vrees niet aannemelijk heeft gemaakt en zij de bescherming van de autoriteiten kan inroepen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.

Heeft eiseres nog procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep?

5. Uit vaste rechtspraak volgt dat als een vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt, hij de in Nederland gevraagde bescherming op prijs stelt. (Voetnoot 2) Aangezien de gemachtigde in onderhavig geval aangeeft dat zij nog contact onderhoudt met eiseres en de minister op de hoogte is gesteld van de verblijfplaats van eiseres in Nederland, bestaat er procesbelang. De rechtbank heeft het beroep daarom inhoudelijk behandeld.

Beroepsgronden eerdere gemachtigde

6. De rechtbank stelt voorop dat de gemachtigde van eiseres op de zitting een aantal gronden die de vorige gemachtigde van eiseres had aangevoerd, heeft ingetrokken. Het gaat om de gronden die gaan over het terugkeerbesluit, het vluchtelingschap en de keuze van de minister om de asielaanvraag uitsluitend op zwaarwegendheid te beoordelen. Dit betekent dat de rechtbank daarover geen oordeel geeft.

Heeft de minister de problemen met bendeleden terecht onvoldoende zwaarwegend geacht?

7. Eiseres betoogt dat zij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. Zij voert daartoe aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat eiseres een zichtbare of prominente rol bekleedt, waardoor zij niet als een persoonlijk doelwit van een bende kan worden gezien. Zo verklaart eiseres dat zij verantwoordelijk was voor het opzetten en begeleiden van maatschappelijke sociale acties, ter preventie van rekrutering van jongeren door bendes. (Voetnoot 3) Ook heeft ze verklaard dat zij en haar broer als sociale leiders worden herkend, vanwege hun aanwezigheid op events. (Voetnoot 4) Dit is ook onderbouwd met de bronnen (verschillende rapporten en nieuwsberichten) die namens eiseres in de zienswijze zijn aangehaald. (Voetnoot 5) Bovendien gaat de minister uit van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres, aangezien hij met toepassing van paragraaf C1/ 4.1, onder vijf en zes van de Vc 2000. de asielaanvraag heeft beoordeeld. Dat haar organisatie eerder nog geen problemen heeft gehad met bendes, betekent niet dat de vrees van eiseres niet aannemelijk is. Ook het gegeven dat eiseres geen aangifte heeft gedaan, maakt niet dat de vrees niet aannemelijk is. In de aangifte, die is gedaan door haar broer, staat immers ook dat zij slachtoffer is. (Voetnoot 6) Daarnaast heeft eiseres geen vertrouwen in de Colombiaanse autoriteiten. (Voetnoot 7)

7.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres haar vrees voor ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij is gekeken naar de functie en positie die eiseres in Colombia had. Niet is gebleken dat eiseres een zodanig hoog profiel had, dan wel dat zij in een prominente of herkenbare risicovolle positie verkeerde, waardoor zij persoonlijk doelwit is van een bende. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zal worden bedreigd omdat zij al dan niet een sociaal leider was. Tot slot is niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om bescherming van de Colombiaanse autoriteiten te krijgen. In Colombia wordt in het algemeen bescherming geboden en eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in haar geval anders is.

7.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de werkwijze als bedoeld in paragraaf C1/4.1, onder vijf en zes van de Vc 2000, waarbij de minister de asielaanvraag uitsluitend op zwaarwegendheid beoordeelt, tot zorgvuldige besluitvorming kan leiden.

7.3.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022 (Voetnoot 8) volgt dat het toepassen van de werkwijze als bedoeld in paragraaf C1/4.1, onder vijf en zes van de Vc 2000 tot gevolg heeft dat bij de rechterlijke toetsing van het standpunt van de minister in zijn besluit voor moet worden gehouden dat hij de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. (Voetnoot 9) De reden daarvoor is dat de bestuursrechter in staat moet worden gesteld de besluitvorming van de minister daadwerkelijk en effectief op rechtmatigheid te toetsen. Daarvoor is het noodzakelijk te weten welke feiten en omstandigheden de minister tot uitgangspunt heeft genomen bij zijn beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas en de motivering daarvan in het besluit. Zoals eiseres terecht aanvoert moet de minister als hij de pilotwerkwijze toepast, dus alle verklaringen van haar over haar asielmotieven als uitgangspunt nemen voor de zwaarwegendheidsbeoordeling. Dit betekent dat de minister tot uitgangspunt moet nemen dat eiseres, zoals zij heeft verklaard, een sociaal leider is en dat de problemen met de bende waarover eiseres heeft verklaard geloofwaardig zijn.

7.4.

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De minister moet bij zijn beoordeling als uitgangspunt nemen dat eiseres, zoals zij heeft verklaard, in Colombia wordt beschouwd als een sociaal leider en eenvoudig als sociaal leider wordt herkend. (Voetnoot 10) Uit het algemeen ambtsbericht volgt dat er geen eenduidige definitie bestaat voor de term ‘sociaal leider’. Een sociaal leider wordt onder andere gedefinieerd als een persoon die de rechten van het collectief verdedigt en een actie voor het algemeen welzijn ontwikkelt die erkend wordt in zijn of haar gemeenschap, organisatie of territorium. Alle sociale leiders worden beschouwd als mensenrechtenverdedigers. (Voetnoot 11) Volgens een vertrouwelijke bron waren er zes miljoen mensen in Colombia die zichzelf op de een of andere manier als sociaal leider beschouwden. Uit het algemeen ambtsbericht leidt de rechtbank af dat, anders dan de minister in het bestreden besluit heeft overwogen, er een relatief grote groep sociale leiders in Colombia bestaat en dat de lat om als sociaal leider te worden aangemerkt niet al te hoog ligt.

7.5.

Ook wordt niet aangegeven dat een sociaal leider een hoog profiel of prominente rol moet hebben om in de negatieve belangstelling te komen te staan bij bendes. Uit het ambtsbericht volgt wel dat sociale leiders worden vermoord als ze zich in het openbaar uitspraken tegen illegale gewapende organisaties en een obstakel vormen voor de sociale controle die wordt uitgeoefend door gewapende niet-overheidsactoren in de gebieden. De moorden zijn ook bedoeld om sociale processen voor de verdediging van mensenrechten te blokkeren en angst te zaaien onder gemeenschappen. (Voetnoot 12) Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zijn zwaarwegendheidsbeoordeling dan ook onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

7.6.

De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Met als doel het geschil zo veel mogelijk finaal te beslechten zal de rechtbank hierna ingaan op de gronden die eiseres heeft aangevoerd tegen de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond, tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier en tegen de beslissing om eiseres geen uitstel van vertrek te verlenen.

Kennelijk ongegrond

8. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte haar asielaanvraag als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eiseres heeft acht dagen na aankomst in Nederland haar asielaanvraag ingediend, wat niet zodanig laat is. Verder heeft de familie gereisd vanuit risicovolle omstandigheden. Daardoor kampte eiseres bij aankomt in Nederland met psychische klachten en haar moeder, die ook meereisde maar inmiddels naar Colombia is teruggekeerd, met gezondheidsproblemen. (Voetnoot 13) De minister heeft nagelaten rekening te houden met deze omstandigheden. (Voetnoot 14)

8.1.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister de aanvraag kennelijk ongegrond verklaren op grond van artikel 31, eerste lid, Vw 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Hierbij werpt de minister eiseres terecht tegen dat zij zich niet binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld. In de enkele verklaring dat eiseres moest bijkomen van psychische klachten en haar moeder met gezondheidsproblemen met haar meereisde, heeft de minister geen verschoonbare verklaring hoeven zien.

Had de minister aan eiseres een verblijfsvergunning regulier moeten verlenen?

9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tussen eiseres en haar partner is namelijk sprake van gezinsleven dat wordt beschermd door artikel 8 van het EVRM. Eiseres is met haar partner een geregistreerd partnerschap aangegaan op 31 juli 2025. De minister heeft in de belangenafweging die hij in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft verricht onvoldoende gemotiveerd dat eiseres geen recht heeft op een verblijfsvergunning vanwege het gezinsleven dat zij met haar partner heeft. De minister heeft de subjectieve belemmeringen voor haar en haar partner om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen niet in de belangenafweging meegenomen. De minister heeft ook onvoldoende onderzoek gedaan naar de economische positie van eiseres en haar partner. Verder is ook niet meegenomen in de belangenafweging of eiseres een gevaar vormt voor de openbare orde.

9.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om aan eiseres een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat eiseres pas in beroep het geregistreerd partnerschap met haar partner heeft onderbouwd. Daarom is er in het bestreden besluit geen belangenafweging gemaakt. Ten tijde van het bestreden besluit is ambtshalve getoetst aan artikel 8 van het EVRM op basis van de informatie die de minister toen bekend was. Later in het verweerschrift heeft de minister wel een belangenafweging gemaakt. Hierbij heeft de minister de objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen meegenomen. Er is ook gekeken naar de intensiteit van gezinsleven. Dit is echter opgebouwd tijdens een periode waarin de verblijfsstatus van eiseres onzeker was. Het openbare orde-aspect is ook meegenomen in de belangenafweging, alleen is niet alles in het besluit opgeschreven. Het niet eerder overleggen van de onderbouwing van het geregistreerd partnerschap komt voor rekening en risico van eiseres.

9.2.

De rechtbank overweegt dat uit de Werkinstructie 2020/16 volgt dat in alle gevallen in de belangenafweging wordt betrokken: de intensiteit van het gezinsleven, de mate en ernst van inbreuk op het gezinsleven, eerder rechtmatig verblijf en de duur daarvan, belemmeringen om het gezinsleven elders uit te oefenen, belangen van aanwezig(e) kind(eren) en de banden met Nederland en het land van herkomst.

9.3.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake was van gezinsleven. Eiseres heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat zij recent is gehuwd, maar ook dat zij de huwelijksakte (waarmee zij het huwelijk kan onderbouwen) op dat moment niet zal overleggen. (Voetnoot 15) Nadat eiseres dat in beroep alsnog heeft gedaan, heeft de minister in het verweerschrift alsnog een belangenafweging gemaakt waarmee hij heeft beoordeeld of aan eiseres vanwege haar huwelijk alsnog verblijf in Nederland moet worden toegestaan. Omdat de minister een nieuw besluit moet nemen, merkt de rechtbank over deze belangenafweging op dat deze belangenafweging niet volstaat. De minister heeft de belangenafweging onvoldoende gemotiveerd. De minister noemt de objectieve belemmeringen, intensiteit van het gezinsleven en de openbare orde als elementen die in de belangenafweging zijn meegenomen, maar laat na te motiveren welke waarde hij aan deze belangen toekent en of deze belangen in het voordeel of nadeel van eiseres zijn meegewogen. De minister moet deze elementen, en de elementen genoemd in Werkinstructie 2020/16, kenbaar in de belangenafweging betrekken. De minister zal dat in het nieuw te nemen besluit alsnog moeten doen en daarbij de namens eiseres op 3 maart 2026 ingediende stukken moeten betrekken.

Uitstel van vertrek

10. Eiseres betoogt verder dat zij vanwege haar psychische klachten in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning.

9.1.

De minister stelt zich terecht op het standpunt dat er geen reden is om uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Eiseres heeft haar medische klachten niet onderbouwd met stukken.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen omdat de minister vanuit een ander uitgangspunt de zwaarwegendheid dient te beoordelen. De minister dient vervolgens een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat de rechtbank onder 6.4-6.6 heeft overwogen.

12. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

? verklaart het beroep gegrond;

? vernietigt het bestreden besluit van 1 september 2025;

? draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

? veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Paragraaf C1/ 4.1, onder vijf en zes van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Voetnoot 2

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.

Voetnoot 3

Pagina 8 van het aanmeldgehoor.

Voetnoot 4

Pagina 10 en 15 van het nader gehoor.

Voetnoot 5

Algemeen ambtsbericht van Colombia van maart 2022, EUAA landenrapport over Colombia van 14 december 2022, rapport van de International Crisis Group “Leaders under Fire: Defending Colombia’s Front Line of Peace” van 6 oktober 2020, rapport van Somos Defensores over 2020, bericht op de Colombiaanse nieuwssite Wradio van 17 mei 2023, bericht op de Colombiaanse nieuwssite Noticias Caracol van 16 februari 2022, bericht van ACAPS “Short note: Colombia Violence against civilians” van 27 november 2020, rapport van Inter-American Commission on Human Rights “Human Rights Defenders and Social Leaders in Colombia” van 6 december 2019, bericht van ABColombia “Increased risks for Human Rights Defenders and their Families” van 29 maart 2018.

Voetnoot 6

Pagina 5 van het aanmeldgehoor en pagina 9 van het nader gehoor.

Voetnoot 7

Pagina 5 en 12 van het aanmeldgehoor en pagina 9 en 16 van het nader gehoor.

Voetnoot 8

ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.1 – 8.3.

Voetnoot 9

Zie ook: ABRvS 31 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2052, onder 2.2, en ABRvS 11 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:755, onder 3.1.

Voetnoot 10

Zie p. 15 van het verslag nader gehoor.

Voetnoot 11

Algemeen ambtsbericht, pagina 15.

Voetnoot 12

Algemeen ambtsbericht, pagina 62 en verder.

Voetnoot 13

Pagina 11 van het aanmeldgehoor.

Voetnoot 14

Rb. Den Haag (zp. Utrecht) 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057 en Werkinstructie 2024/6, pagina 6.

Voetnoot 15

Zie p. 6 van het verslag nader gehoor.