Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:20406

Op 17 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.49147, NL25.49149 en NL25.49151, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:20406. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.49147, NL25.49149 en NL25.49151
Datum uitspraak:
17 July 2026
Datum publicatie:
22 July 2026

Indicatie

artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw; geen nieuwe elementen of bevindingen; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.49147, NL25.49149 en NL25.49151

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] , eiser, V-nummers: [V-nummer 1] ,

[eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer 2] ,

[eiser 2] , eiser, V-nummer: [V-nummer 3] ,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J van Raak).

Procesverloop

Procesverloop

Eisers hebben op 10 juni 2025 opvolgende asielaanvragen ingediend.

Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 2 oktober 2025 deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

De rechtbank heeft de beroepen op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eisers zijn broers en zus van elkaar, hebben de Iraakse nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 1999, [datum 2] 1996 en [datum 3] 2002. Eisers hebben op 8 maart 2022 asielaanvragen ingediend. Deze aanvragen zijn bij afzonderlijke besluiten van 19 april 2023 afgewezen als ongegrond. Het daartegen door eisers ingestelde beroep is bij uitspraak van 6 juli 2023 (Voetnoot 1) ongegrond verklaard. Het vervolgens ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van 6 november 2023 (Voetnoot 2) ongegrond verklaard. Daarmee zijn de besluiten van 19 april 2023 in rechte komen vast te staan.

2. Op 10 juni 2025 hebben eisers de huidige asielaanvragen ingediend. Ter onderbouwing van hun opvolgende aanvraag hebben eisers documenten overgelegd die volgens hen hun asielrelaas ondersteunen: een militair bevel tot eliminatie, een militaire oproep, een militaire dagvaarding en een doodvonnis. Uit onderzoek van Bureau Documenten van 27 augustus 2025 is gebleken dat deze documenten hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven.

3. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw (Voetnoot 3), omdat eisers geen nieuwe elementen of bevindingen hebben aangevoerd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van hun opvolgende asielaanvragen.

4. In beroep voeren eisers aan dat zij pas uit het voornemen hebben vernomen dat de door hen overgelegde documenten volgens Bureau Documenten niet bevoegd zijn opgemaakt. Volgens eisers had verweerder hen voldoende gelegenheid moeten bieden om daarop te reageren en de originele documenten over te leggen. Verder voeren eisers aan dat zij in de vorige asielprocedure niet over alle relevante informatie beschikten, omdat hun vader hen destijds niet volledig had geïnformeerd over de problemen die het gezin in Irak heeft ondervonden. Volgens eisers zijn zij pas later via hun vader volledig op de hoogte geraakt van deze problemen en van de bedreigingen die na hun terugkeer zijn ontstaan. Zij wijzen daarbij ook op een nadere schriftelijke verklaring van hun vader. In dit kader stellen eisers dat het relaas en de asielprocedure van hun vader van belang zijn voor de beoordeling van hun eigen risico bij terugkeer, zodat verweerder de uitkomst van diens asielprocedure had moeten afwachten. Eisers menen daarom dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw kan verweerder de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren wanneer door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag aan de aanvraag zijn gelegd of wanneer geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Uit het arrest L.H. tegen Nederland (Voetnoot 4) volgt dat de beoordeling of sprake is van nieuwe elementen of bevindingen plaatsvindt in twee fases. In de eerste fase wordt onderzocht of er nieuwe elementen of bevindingen zijn of door de vreemdeling zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking kan komen voor internationale bescherming. In de tweede fase wordt onderzocht of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.

6. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers aan hun opvolgende asielaanvragen geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag hebben gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van hun asielaanvragen. Uit het onderzoek van Bureau Documenten van 27 augustus 2025 blijkt dat het overgelegde militaire bevel tot eliminatie, de militaire oproep, de militaire dagvaarding en het doodvonnis hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Eisers hebben de conclusies van Bureau Documenten niet betwist. In de vorige procedure hebben eisers kopieën overgelegd van twee rechtbankdocumenten uit 2015 en 2022, registratiebewijzen van UNHCR (Voetnoot 5) en een document van een commissie van stammen uit Irak. Met betrekking tot eisers stelling dat zij inmiddels beschikken over originele versies van deze documenten, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze documenten reeds in de vorige procedure inhoudelijk zijn betrokken en daarom niet als nieuwe elementen of bevindingen kunnen worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat de originelen nu beschikbaar zijn, maakt dit niet anders.

7. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid omdat zij slechts één dag de tijd hadden om op het voornemen te reageren. Het lag op de weg van eisers om bij hun opvolgende asielaanvragen de nieuwe elementen of bevindingen naar voren te brengen. Eisers hebben immers zelf het moment gekozen waarop zij een opvolgende asielaanvraag indienden. Bovendien hebben eisers vanaf het indienen van hun aanvragen op 10 juni 2025 voldoende gelegenheid gehad om de aanvragen aan te vullen.

8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitkomst van de asielprocedure van de vader van eisers niet hoeft te worden afgewacht. Voor zover eisers stellen dat zij pas na de eerdere procedure door hun vader volledig zijn geïnformeerd over de aard en achtergrond van de problemen, lag het op hun weg om bij hun opvolgende aanvragen concreet naar voren te brengen welke nieuwe informatie zij hadden verkregen en wat deze informatie betekent voor hun persoonlijke vrees bij terugkeer. Eisers moeten immers zelf aannemelijk maken welke nieuwe elementen of bevindingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van hun eigen asielaanvragen. De aanvullende verklaring van hun vader maakt dit niet anders, omdat daaruit niet blijkt van concrete nieuwe feiten of omstandigheden die eisers persoonlijk betreffen en die hun asielrelaas in een ander daglicht plaatsen.

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:RBDHA:2023:10300.

Voetnoot 2

ECLI:NL:RVS:2024:4463.

Voetnoot 3

Vreemdelingenwet 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026.

Voetnoot 4

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.

Voetnoot 5

United Nations High Commissioner for Refugees -de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties.