Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:20500

Op 9 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.22905, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:20500. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.22905
Datum uitspraak:
9 July 2026
Datum publicatie:
23 July 2026

Indicatie

Niet in geschil is dat eiseres zorg nodig heeft en afhankelijk is van medische zorg. In geschil is of eiseres van referent (en zijn echtgenote) afhankelijk is en of referent deze zorg moet verlenen aan eiseres. De minister heeft de mvv-aanvraag van eiseres (meerderharige zus van referent) afgewezen omdat hij niet aannemelijk heeft geacht dat eiseres en referent door bijkomende elementen van afhankelijkheid familie-en gezinsleven hebben in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat door referent aannemelijk is gemaakt dat de vader van eiseres is overleden. De minister heeft niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat tussen eiseres, referent en haar schoonzus geen sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid in de vorm van emotionele afhankelijkheid, rekening houdend met de gezondheidssituatie van eiseres. Hierbij speelt een belangrijke rol dat eiseres doof is en de minister niet heeft weersproken dat referent en zijn echtgenote met eiseres kunnen communiceren via een speciaal ontwikkelde gebarentaal, waarmee zij ook al met elkaar communiceerden toen zij nog gezamenlijk in Syrië verbleven. Dit betekent dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat tussen eiseres en referent en haar schoonzus geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.22905

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigden: mr. J. van Raak en mr. J.A.A. Willems).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die is ingediend voor eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiseres, geboren op [geboortedatum 1] 1988 en van Syrische nationaliteit, wil in Nederland verblijven met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’ op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Referent is de broer van eiseres en hij is in 2009 gehuwd met [naam] (schoonzus van eiseres). Referent en zijn echtgenote hebben eveneens de Syrische nationaliteit. Referent heeft op 2 januari 2024 de mvv-aanvraag ingediend.

3. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

5. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent en zijn echtgenote en mr. J. van Raak als gemachtigde van de minister.

6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, om eiseres in de gelegenheid te stellen originele documenten te overleggen, zodat Bureau Documenten deze documenten kan onderzoeken. Op 31 maart 2026 heeft de minister een reactie gegeven op het onderzoek van Bureau Documenten, waar eiseres op 14 april 2026 op heeft gereageerd.

7. De rechtbank heeft op verzoek van eiseres het beroep op 3 juni 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent en zijn echtgenote, en mr. J.A.A. Willems als gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

De aanvraag

8. Eiseres is de zus van referent en is vanaf haar geboorte doof, autistisch en heeft een zeer lage cognitieve ontwikkeling. Eiseres woonde sinds haar geboorte in Syrië bij haar ouders en referent. Referent is in 2009 gehuwd met [naam] . Sinds 2009 woonde referent met zijn echtgenote samen zonder eiseres, maar wel in de buurt van eiseres en zijn ouders. Referent heeft sinds 2014 verblijf in Nederland. Zijn echtgenote en kinderen hebben sinds 2015 op grond van nareis verblijf in Nederland gekregen. Tot aan 2015 heeft de schoonzus van eiseres ook voor eiseres gezorgd. De moeder van eiseres heeft eiseres jarenlang verzorgd, maar het overlijden van de moeder in [maand van overlijden] 2023 is de reden dat referent in 2024 voor eiseres de mvv-aanvraag heeft ingediend, omdat de vader gezondheidsklachten had en lichamelijk gezien niet voor eiseres kon zorgen. Ook kon hij niet met eiseres communiceren. Referent en zijn echtgenote zijn degenen die het beste met eiseres kunnen communiceren via een speciaal door hen ontwikkelde gebarentaal. Anderen kunnen geen gebruik maken van deze gebarentaal, omdat ze hiermee niet bekend zijn. Referent heeft verder aangevoerd dat zijn echtgenote met verstandelijk en lichamelijk beperkte volwassenen werkt en dat zij, gelet hierop, de juiste zorg aan eiseres kunnen verlenen in Nederland. Ook stelt referent dat er in Syrië geen hulp is voor mensen zoals eiseres die doof en verstandelijk beperkt zijn.

9. De minister heeft de mvv aanvraag afgewezen, omdat hij niet aannemelijk heeft geacht dat eiseres en referent door bijkomende elementen van afhankelijkheid familie- en gezinsleven hebben in de zin van artikel 8 van het EVRM. Omdat er geen sprake is van gezinsleven heeft de minister geen belangenafweging gemaakt.

Het overlijden van vader

10. Referent voert in beroep aan dat de vader van eiseres en referent is overleden in [maand van overlijden] 2025. Na de behandeling op de zitting op 27 januari 2026 heeft de minister het uittreksel overlijdensregister van 30 september 2025 en het medisch overlijdensrapport van [datum van overlijden] 2025 laten onderzoek door Bureau Documenten.

11. Uit de verklaring van onderzoek van 16 februari 2026 blijkt dat het medisch overlijdensrapport een kopie betreft. Het document is niet origineel. Er kan geen uitspraak worden gedaan over de echtheid van het aan de kopie ten grondslag liggende document. Er kan ook geen uitspraak worden gedaan over de opmaak en afgifte van het document. Niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.

12. Uit de verklaring van onderzoek blijkt verder dat het uittreksel overlijdensregister van 30 september 2025 echt is bevonden en dat er geen onregelmatigheden zijn aangetroffen. Er kan geen uitspraak worden gedaan over de opmaak en afgifte van het document. Ook kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.

13. De minister stelt zich primair op het standpunt dat eiseres het overlijden van haar vader niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij betrekt de minister dat door Bureau Documenten niet kan worden vastgesteld of de documenten inhoudelijk juist zijn en dat de documenten inhoudelijk niet overeenkomen.. Zo staat op het medisch overlijdensrapport een andere geboortedatum van de vader van eiseres dan op het uittreksel overlijdensregister. Bovendien noemt het uittreksel overlijdensregister een afwijkend nummer behorend bij het medisch overlijdensrapport van het ziekenhuis. De documenten zijn dan ook inhoudelijk tegenstrijdig en daarom kan niet van de juistheid van de inhoud worden uitgegaan, aldus de minister. Verder hebben referenten het gestelde overlijden van de vader pas op 14 januari 2026 gemeld, terwijl de vader reeds op [datum van overlijden] 2025 zou zijn overleden. Dit doet afbreuk aan de gestelde schrijnendheid van de situatie van eiseres.

14. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat eiseres het overlijden van haar vader niet aannemelijk heeft gemaakt met de door referent overgelegde documenten. Over de verschillende geboortedata op beide documenten heeft referent aangevoerd dat hier sprake is van een vertaalfout door de vertaler en hij heeft ter onderbouwing hiervan een nieuwe vertaling overgelegd met de juiste geboortedatum. Referent heeft altijd gezegd dat zijn vader is geboren op [geboortedatum 2] 1950. De minister heeft dit niet weersproken op de zitting. Over de verschillende nummers die zijn genoemd op het medische overlijdensrapport en het uittreksel overlijdensregister is de rechtbank van oordeel dat de minister niet voldoende heeft uitgelegd waaruit blijkt dat deze nummers overeen moeten komen. Dat dit dezelfde nummers moeten zijn blijkt ook niet uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. Ook heeft de minister op de zitting gezegd dat hier niet zwaar aan wordt getild.

15. De rechtbank gaat er daarom van uit dat met de door referent overgelegde documenten en de daarop gegeven toelichting aannemelijk is gemaakt dat de vader van eiseres en referent is overleden.

Juridisch kader, artikel 8 van het EVRM

16. De minister beoordeelt of er familie- of gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige familieleden op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Deze elementen kunnen onder meer zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.

17. De bestuursrechter toetst het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden volledig. Ook toetst de bestuursrechter de motivering van de minister volledig. Daarbij gaat de bestuursrechter na of de motivering in objectieve zin begrijpelijk is. De bestuursrechter toetst de uitkomst van de beoordeling of familie- en gezinsleven op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaat enigszins terughoudend, omdat de minister die uitkomst moet baseren op een weging van de in samenhang bezien betrokken feiten en omstandigheden. De minister heeft daarbij beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling is dus niet alleen gebaseerd op een feitenvaststelling.

Is sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM?

18. De minister heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, als moet worden uitgegaan van het overlijden van de vader, evenmin sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referent, omdat geen bijkomende elementen van afhankelijkheid worden aangenomen. Referent en zijn echtgenote, wonen sinds 2009 al niet meer samen met eiseres. Referent en zijn echtgenote zijn ook al tien jaren niet in Syrië geweest. In die tijd heeft eiseres ook zonder hen kunnen functioneren. Niet is aangetoond dat eiseres van referent en zijn echtgenote afhankelijk is. Dat zij misschien goed voor eiseres kunnen zorgen, maakt nog niet dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister vindt hierbij van belang dat als de situatie sinds het overlijden van de vader zo ernstig zou zijn als referent stelt, het logisch zou zijn dat referent dit eerder had gemeld bij de minister. Dat er in het geheel geen broers, zussen, vrienden of kennissen aanwezig zijn om eiseres te helpen en het contact met zorgverleners aldaar te regelen is niet onderbouwd. Bovendien is ter zitting gebleken dat er nichtjes en neefjes waren die voor eiseres zorgden. Ook een vriendin en kennis zijn genoemd. Verder volgt uit het dossier dat eiseres toegang tot medische zorg heeft genoten. Niet is aangetoond dat die zorg er niet meer is. Ook is niet aangetoond dat er in Syrië geen zorginstellingen beschikbaar zijn voor mensen met een verstandelijk beperking, als dit noodzakelijk zou zijn. Financieel is ook geen sprake van aangetoonde afhankelijkheid.

19. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat referent en zijn echtgenote in ieder geval sinds 2015 niet meer samenwoonden met eiseres. Evenmin is in geschil dat de vader en moeder eiseres hebben verzorgd tot aan het overlijden van de moeder in 2023. Niet in geschil is dat eiseres zorg nodig heeft en afhankelijk is van medische zorg. In geschil is of eiseres van referent (en zijn echtgenote) afhankelijk is en of referent deze zorg moet verlenen aan eiseres.

20. Eiseres voert aan dat sprake is van emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en referent en haar schoonzus. Na het overlijden van haar vader in [maand van overlijden] 2025 stond referent voor de keuze voor het doen van een nieuwe aanvraag, dan wel hangende de beroepsprocedure de nieuwe informatie inbrengen. Dat daardoor sprake is van enig tijdsverloop doet niets af aan de schrijnendheid van de situatie. Niet in geschil is dat eiseres dagelijks hulp nodig heeft. Ter onderbouwing van haar situatie heeft referent op 6 februari 2026 een voorbeeld van een weekschema overgelegd. Ook heeft hij aangevoerd dat eiseres na het overlijden van vader alleen in een woning woont. De deur wordt van buiten afgesloten omdat eiseres geen gevaar kan herkennen of inschatten. Hierdoor is het noodzakelijk om haar te beschermen tegen mogelijke risico’s van binnen en buiten het huis. Eiseres is volledig afhankelijk van anderen voor eten en dagelijkse zorg. Eiseres kan zelf geen eten klaarmaken en maaltijden worden door mensen uit de omgeving gebracht. Het lukt echter niet elke dag om iemand te vinden die eten kan brengen, waardoor eiseres soms zonder eten blijft. Eiseres kan zelf geen honger of dorst herkennen en kan zichzelf niet verzorgen.

De erkenning van de volkomen afhankelijke positie van eiseres heeft de minister ten onrechte buiten beschouwing gelaten in zijn reactie van 31 maart 2026. Er zijn geen andere familieleden in Syrië die voor eiseres kunnen zorgen. Na het overlijden van haar vader zijn kennissen en vrienden te hulp geschoten tegen een vergoeding. Dit is geen stabiele opvang, maar een tijdelijke oplossing. Bovendien kunnen referent en zijn echtgenote met eiseres communiceren via een speciale gebarentaal die zij zelf hebben ontwikkeld. Dit gaat wel iets verder dan dat referent en zijn echtgenote het ‘fijner’ vinden als zij in Nederland voor eiseres kunnen zorgen. De reactie van de minister doet absoluut onvoldoende recht aan eiseres en de band die zij had en heeft met haar broer en schoonzus in Nederland.

21. De rechtbank overweegt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat tussen eiseres, referent en haar schoonzus geen sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid in de vorm van emotionele afhankelijkheid, rekening houdend met de gezondheidssituatie van eiseres. Zoals hiervoor is overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat de vader van eiseres is overleden. De minister stelt zich op het standpunt dat de zorg voor eiseres kan worden voortgezet op de wijze zoals die nu plaatsvindt, maar hiermee miskent de minister dat de zorg die eiseres nu (na het overlijden van vader) ontvangt zeer beperkt is. De minister heeft niet weersproken dat eiseres niet zelfredzaam is en veel zorg nodig heeft. Zo heeft eiseres hulp nodig bij het (maken van) eten en drinken en bij haar persoonlijke verzorging. Verder speelt een belangrijke rol dat eiseres doof is en de minister niet heeft weersproken dat referent en zijn echtgenote met eiseres kunnen communiceren via een speciaal ontwikkelde gebarentaal, waarmee zij ook al met elkaar communiceerden toen zij nog gezamenlijk in Syrië verbleven.

22. Dat de financiële ondersteuning ook op afstand kan blijven plaatsvinden, zoals de minister stelt, is een aspect dat niet van belang is bij de vraag of er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, maar kan alleen een rol spelen bij de daaropvolgende belangenafweging.

23. Dit betekent dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat tussen eiseres en referent en haar schoonzus geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Wat verder is aangevoerd behoeft geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

24. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

25. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

26. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat de minister het griffierecht en de proceskosten van eiseres moet vergoeden. Dit omdat de reden dat het beroep gegrond is verklaard verband houdt met de situatie die is ontstaan na de totstandkoming van het bestreden besluit, te weten het overlijden van de vader van eiseres.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 23 april 2025;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk - Salomons, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.