Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:20712

Op 22 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.38858, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:20712. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.38858
Datum uitspraak:
22 July 2026
Datum publicatie:
24 July 2026

Indicatie

Bewaring, grensdetentie, Dublinaanknopingspunten, noodzaak detentie onderbouwd, risico op onderduiken, geen reden lichter middel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.38858

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] ,

V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. In het besluit is overwogen dat aanknopingspunten bestaan voor toepassing van de Asiel- en Migratiebeheerverordening.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Elhaddouchi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De minister behandelt de asielaanvraag van eiser in de grensprocedure en heeft in het bestreden besluit aangegeven dat sprake is van aanknopingspunten voor toepassing van de Asiel- en Migratiebeheerverordening, omdat eiser in het bezit is van een op het moment van oplegging van de maatregel geldig Spaans Schengenvisum.

2. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank partijen gewezen op uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 juli 2026 (Voetnoot 1) en hen gevraagd naar aanleiding van die uitspraken een standpunt in te nemen.

3. Eiser heeft verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraken van 17 juli 2026 en stelt zich op het standpunt dat die uitspraken ook voor zijn zaak relevant zijn. Zo is volgens hem sprake van een onvoldoende individuele belangenafweging. Eiser voer daarbij aan dat hij mee wil werken aan zijn overdracht, dat hij in Koeweit gedetineerd is geweest vanwege deelname aan een demonstratie en dat zijn familie in Engeland verblijft, maar dat hem daar de toegang is geweigerd. Ook voert eiser aan dat de grensdetentie voor hem neerkomt op gevangenschap met bijna altijd gesloten deuren.

4. De minister stelt zich op het standpunt dat in deze zaak sprake is van een relevant verschil ten opzichte van de zaken die zijn beoordeeld in de uitspraken van 17 juli 2026. Daarbij wijst de minister erop dat in het geval van eiser in het besluit is gemotiveerd dat sprake is van een risico op onderduiken. Daarmee is volgens de minister, anders dan in de uitspraken van 17 juli 2026, een individuele motivering gegeven waarom het opleggen van de vrijheidsontneming noodzakelijk is.

5. In de uitspraken van 17 juli 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening volgt dat alleen in de daarin genoemde situaties de verplichting bestaat om de grensprocedure toe te passen. In alle andere gevallen – zo ook in de zaak van eiser – is een lidstaat niet verplicht om de asielgrensprocedure toe te passen. En dus ook niet verplicht om de beslissing tot toegang tot het Nederlandse grondgebied uit te stellen en tot grensdetentie over te gaan. Dit maakt niet dat de minister in een situatie waarin hij onverplicht over gaat tot de grensprocedure, uiteindelijk niet ook zou kunnen overgaan tot het toepassen van grensdetentie. De noodzaak daartoe dient dan alleen (ook) op een andere wijze te zijn onderbouwd. In dit geval heeft de minister gemotiveerd geoordeeld dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een onderduikrisico bestaat. Eiser heeft dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende gronden niet betwist.

6. De niet betwiste gronden zijn, in onderlinge samenhang bezien, voldoende voor de conclusie sprake is van een risico op onderduiken. Dit risico betreft echter een weerlegbaar rechtsvermoeden. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd om het rechtsvermoeden te weerleggen. Verweerder is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat sprake is van het genoemde risico.

7. De door eiser aangevoerde omstandigheden dat hij in Koeweit gedetineerd is geweest en dat zijn gezin in Engeland verblijft, geven geen aanleiding voor het oordeel dat een lichter middel moet worden toegepast. Deze omstandigheden zien immers niet op eisers gedrag en verblijf in Nederland.

8. De rechtbank begrijpt dat de detentie eiser zwaar valt. Maar dat maakt op zichzelf niet dat de bestreden maatregel onrechtmatig moet worden geacht. Niet is gebleken dat de medische en andere zorg in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend is of dat de detentie om andere redenen onevenredig bezwarend moet worden geacht.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van

M.R. van Kerkwijk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:RBDHA:2026:19756, ECLI:NL:RBDHA:2026:19757 en

ECLI:NL:RBDHA:2026:19758.