Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:20773

Op 9 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 25.22917, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:20773. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
25.22917
Datum uitspraak:
9 July 2026
Datum publicatie:
24 July 2026

Indicatie

Afwijzing opvolgende asielaanvraag. Langdurige deelname aan lhbti-bijeenkomsten. Homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk gemaakt. De overgelegde verklaringen van derden kunnen eisers ontoereikende verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid niet compenseren.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.22917

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Voetnoot 1). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister aan eiser ook een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 3 juni 2026 heeft eiser aanvullende gronden van beroep ingediend.

2.2.

De minister heeft op 9 juni 2026 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Eiser heeft op 9 juni 2026 een nader stuk ingediend.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep (Voetnoot 2), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.D.O. Onwuegbuchu als tolk (40556) en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft, voor zover van belang, eerder op 21 juni 2020 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij Nigeria heeft verlaten vanwege zijn seksuele geaardheid en zijn homoseksuele relatie met [naam]. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 15 oktober 2020 afgewezen. De minister heeft aan die afwijzing ten grondslag gelegd dat hij geen geloof hecht aan de verklaringen van eiser dat hij homoseksueel is. De minister heeft ook de verklaringen van eiser dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid problemen heeft ondervonden in Nigeria niet geloofwaardig acht. Bij uitspraak van 8 maart 2021 (Voetnoot 3) heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2020 ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen die uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 16 april 2021 (Voetnoot 4) ongegrond verklaard. Daarmee staat het besluit van 15 oktober 2020 in rechte vast.

4. Op 14 juni 2023 heeft eiser met de indiening van het formulier M35-O opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze opvolgende asielaanvraag legt eiser ten grondslag dat sprake is van identiteitsgroei. Eiser kan nu beter verklaren over zijn gevoelens en emoties in relatie tot zijn homoseksualiteit. Ook heeft eiser een partner ([naam]) en neemt hij deel aan activiteiten georganiseerd door lhbti-organisaties. Eiser legt ter onderbouwing daarvan diverse (nieuwe) stukken over, waaronder verklaringen van derden.

4.1.

Bij besluit van 18 november 2024 heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van 14 juni 2023 als kennelijk ongegrond afgewezen. De minister heeft daaraan – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat hij niet gelooft dat eiser homoseksueel is. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

4.2.

Bij uitspraak van 11 maart 2025 (Voetnoot 5) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 november 2024 vernietigd en de minister opgedragen opnieuw te beslissen op de opvolgende asielaanvraag van eiser.

Het bestreden besluit

5. De minister heeft met het bestreden besluit de opvolgende asielaanvraag van eiser wederom als kennelijk ongegrond afgewezen. Volgens de minister is de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid dan wel de identiteitsgroei ongeloofwaardig. De minister heeft daaraan, voor zover van belang, het volgende ten grondslag gelegd.

5.1.

In rechte staat vast dat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is en dat eiser weinig overtuigend heeft verklaard over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid. Eiser stelt nu in zijn opvolgende aanvraag dat sprake is van identiteitsgroei. Op grond van de uitspraak van 11 maart 2025 van de rechtbank staat inmiddels vast dat de verklaringen over die gestelde groei in de homoseksuele gerichtheid oppervlakkig en weinig overtuigend zijn, terwijl eiser zelf bij herhaling heeft verklaard dat hij nu beter kan verklaren over zijn gevoelens en emoties. Dit weegt in eisers nadeel. Dat eiser volgens Stichting Noodopvang Dakloze Vreemdelingen Utrecht (SNDVU) gedetailleerd kan vertellen over zijn gevoelens, relatie en persoonlijke groei wordt niet gevolgd.

5.2.

Eiser stelt dat zijn identiteitsgroei erin gelegen is dat hij nu zijn homoseksuele gerichtheid meer in het openbaar durft te uiten. Die stelling is onvoldoende voor het geloofwaardig achten van eisers homoseksuele gerichtheid. Dat eiser stelt dat hij niet meer homoseksueel is dan in de vorige procedure, dat geen sprake is van groei, zoals dat wel te zien is bij geloofsgroei, en dat van eiser niet kan worden verwacht dat hij groei laat zien, volgt de minister ook niet. Eiser heeft zelf aan zijn opvolgende asielaanvraag en de M35-O identiteitsgroei ten grondslag gelegd, alsook daarover verklaard in zijn gehoor opvolgende aanvraag (GOA). Eisers stelling gaat ook in tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 maart 2025 nu daarin al is geoordeeld dat eisers verklaringen tijdens het GOA over zijn gestelde identiteitsgroei oppervlakkig en weinig overtuigend zijn. Met de persoon van eiser is daarnaast voldoende rekening gehouden. Bij de uitspraak van 11 maart 2025 heeft de rechtbank dat ook zo geoordeeld.

5.3.

De door eiser overgelegde brief van SNDVU van april 2023 weegt niet op tegen de door eiser afgelegde verklaringen in zijn GOA. Onduidelijk is hoe en op welke wijze het verblijven in een lhbti-huis heeft bijgedragen aan identiteitsgroei. Het deelnemen aan lhbti-bijeenkomsten en het bezoeken van gayclubs maakt niet dat eisers homoseksuele gerichtheid geloofwaardig moet worden geacht. Het bezoeken van die bijeenkomsten en clubs is niet voorbehouden aan lhbti-ers. Bovendien komt de uitleg in de brief van SNDVU over hoe en waar eiser zijn vriend [naam] heeft ontmoet niet overeen met wat eiser daarover heeft verklaard tijdens zijn GOA. De SNDVU heeft verder een aantal voorbeelden van de logboeken overgelegd. Deze logboeken zien echter enkel toe op hetgeen feitelijk is gebeurd, zoals het geven van leefgeld, borg voor de sleutel en het inleveren van een moneycard of het bedanken van iedereen op de noodopvang en het schoon achterlaten van eisers kamer. Ook is er bijvoorbeeld genoteerd dat eiser een juridische machtiging heeft

ondertekend. Uit deze voorbeelden van het logboek blijkt nog niet dat er ook

iets is geobserveerd ten aanzien van de identiteitsgroei die eiser aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd.

5.4.

In de brief van SNDVU van april 2023 is ook een mail opgenomen van Church Amsterdam, waarin is vermeld dat zij bij uitstek een lhtbq+ cruise en dance club zijn die gericht is op personen die seks hebben met mensen van hetzelfde geslacht. Hoewel Church zich richt op homoseksuelen en transmannen, bewijst het daadwerkelijk bezoeken van deze club niet dat eiser homoseksueel is.

5.5.

De door eiser overgelegde brief van prisma van 16 mei 2023 werpt geen ander licht op eisers verklaringen. In die brief is vermeld dat eiser regelmatig naar bijeenkomsten van prisma gaat. Het bijwonen van lhbti-bijeenkomsten is echter niet enkel voorbehouden aan lhbti-ers. De enkele verklaring in de brief dat het gesprek met eiser heeft geholpen om meer zichzelf te kunnen zijn en dat coming-in en coming-out een langdurig, ingewikkeld en een mooi proces is, kan alles in samenhang bezien niet leiden tot een geloofwaardige identiteitsgroei. Zo blijkt immers niet uit de brief welke groei eiser heeft doorgemaakt in het kader van zijn gestelde homoseksuele gerichtheid en waar die groei op is gebaseerd en op welke wijze de activiteiten van de Prisma daaraan hebben bijgedragen.

5.6.

De door eiser zelf geschreven brief van 10 juni 2023 over hoe het voor hem was om homoseksueel te zijn in Nigeria leidt maakt het evenmin anders. De ongeloofwaardigheid van eisers gestelde homoseksuele gerichtheid en de problemen die hij naar aanleiding daarvan stelt te hebben ondervonden staan in rechte vast. Ook blijkt uit die brief niet welke groei eiser heeft doorgemaakt sinds de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag, terwijl eiser aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd dat hij is gegroeid in zijn identiteit als homoseksuele man.

5.7.

De door eiser overgelegde brief van zijn gestelde partner [naam] kan alles in samenhang bezien niet positief meewegen. Eiser heeft de homoseksuele relatie niet geloofwaardig gemaakt. Zoals eerder opgemerkt komen eisers verklaringen over hoe en waar hij [naam] heeft ontmoet niet overeen met wat SNDVU in zijn brief heeft vermeld. Daar komt bij dat [naam] in zijn eigen asielprocedure nooit heeft gesteld dan wel verklaard een relatie met eiser te hebben (gehad). Eiser heeft verklaard dat hij sinds februari 2022 een relatie heeft met [naam]. [naam] heeft op 21 maart 2023 een nader gehoor gehad. De relatie zou op dat moment een jaar duren. Tijdens dat gehoor heeft [naam] echter niet gesteld dan wel verklaard een relatie met eiser te hebben. Ook tijdens zijn aanvullend gehoor van 20 juli 2023 heeft [naam] hierover niet verklaard. [naam] heeft wel verklaard over een andere relatie. Gelet hierop kan niet worden gevolgd dat eiser een liefdesrelatie heeft met [naam]. Hooguit kan worden gevolgd dat hij een vriendschappelijke relatie met [naam] heeft. Eiser heeft met zijn zienswijze niet toegelicht waarom [naam] heeft gezwegen over de relatie met hem.

5.8.

Uit de door eiser overgelegde brief van november 2024 van COC Midden-Nederland blijkt dat eiser lid is geworden van het COC en ontmoetingen van cocktail Utrecht bezoekt. Lid worden van het COC en deelnemen aan activiteiten van die lhbti-organisatie is niet enkel voorbehouden aan lhbti-ers. Hoewel de brief van 18 november 2024 als ondersteunend bewijs kan dienen, is het in de eerste plaats aan eiser om zijn homoseksuele gerichtheid aannemelijk te maken in het GOA. Eiser is daarin niet geslaagd en de brief van het COC Midden-Nederland maakt dat niet anders. Bovendien vermeldt elke brief dat eiser open en eerlijk durft te vertellen over zijn eigen seksualiteit en gender. Dit strookt niet met de uitspraak van 11 maart 2025 van de rechtbank waarin is geoordeeld dat eiser oppervlakkig en weinig overtuigend heeft verklaard over zijn homoseksuele gerichtheid. Niet wordt ingezien dat eiser tijdens het GOA oppervlakkig en weinig overtuigend heeft verklaard over zijn homoseksuele gerichtheid, terwijl in de overgelegde brieven is vermeld dat eiser nu vrijer en meer open over zijn homoseksuele gerichtheid kan verklaren. Gelet op het beeld dat eiser zelf heeft geschetst en zoals dat wordt gesteld in de brieven, mag van eiser worden verwacht dat hij meer overtuigend en gedetailleerd over zijn identiteitsgroei verklaart.

5.9.

Voor zover eiser met de door hem overgelegde foto’s (met zijn partner) zijn seksuele gerichtheid dan wel zijn identiteitsgroei wil aantonen, is de bewijskracht van dergelijke foto’s niet groot. Primair zijn eisers eigen verklaringen van belang. Nu eisers verklaringen niet overtuigen en niet overeenkomen met de brief van SNDVU en eisers gestelde partner nooit heeft verklaard over zijn relatie met eiser, dragen de ingebrachte foto’s dan ook niet in positieve zin bij aan de beoordeling van eisers gestelde homoseksuele relatie. Voor zover eiser met de overgelegde foto’s van zijn aanwezigheid bij de gaypride en gayparty in Amsterdam in 2023 zijn homoseksuele gerichtheid wil aantonen, overweegt de minister dat geloofwaardig is dat eiser contacten heeft met de lhbti-gemeenschap in Nederland. Uit de door eiser overgelegde brieven is gebleken dat eiser zich (met regelmaat) begeeft binnen die gemeenschap en dat hij deelneemt aan verschillende lhbti-bijeenkomsten. Dit betekent echter nog niet dat daarmee eisers homoseksuele gerichtheid dan wel identiteitsgroei geloofwaardig moet worden geacht. De foto’s van eisers deelname aan de gaypride en gayparty wegen in positieve zin mee, maar alles in samenhang bezien overtuigen deze foto’s in combinatie met eisers verklaringen de door eiser gestelde identiteitsgroei niet. Zo is het deelnemen aan lhbti-bijeenkomsten niet voorbehouden aan lhbti-ers. Dat eiser regelmatig deelneemt aan activiteiten van lhbti-organisaties is weliswaar positief, maar dit is gelet op eisers verklaringen en de tegenstrijdigheden in zijn dossier onvoldoende om uit te gaan van zijn homoseksuele gerichtheid. In rechte staat immers vast dat het ongeloofwaardig is dat eiser homoseksueel is en naar aanleiding daarvan in Nigeria problemen heeft ondervonden.

Het standpunt eiser

6. Eiser stelt zich op hierna te bespreken gronden op het standpunt dat de minister ten onrechte zijn homoseksuele geaardheid niet gelooft.

Het oordeel rechtbank

Juridisch kader

7. Voor de beoordeling van asielaanvragen waarbij seksuele geaardheid als asielmotief wordt aangevoerd, hanteert de minister werkinstructie 2019/17 (WI 2019/17). Volgens WI 2019/17 en vaste rechtspraak van de Afdeling ligt het zwaartepunt bij de geloofwaardigheidsbeoordeling in lhbti-zaken bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele geaardheid (Voetnoot 6). Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld kan informatie over feitelijk gedrag, zoals een brief van COC, foto’s van een vreemdeling op plaatsen voor lhbti en informatie over een homoseksuele relatie, dienen als ondersteuning van een gestelde seksuele gerichtheid, maar laat dit de verantwoordelijkheid van een vreemdeling onverlet om (ook) tegenover de minister aan de hand van verklaringen zijn seksuele gerichtheid aannemelijk te maken (Voetnoot 7). De minister moet in dit soort zaken op zijn beurt een integrale beoordeling verrichten. Een vreemdeling kan zijn ontoereikende eigen verklaringen compenseren met andere verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal. Daarbij is vooral van belang of er informatie van feitelijke aard uit deze stukken volgt. Het is daarbij aan de minister om in het besluit inzichtelijk te maken hoe hij de afgelegde verklaringen en overgelegde stukken waardeert en onderling weegt. (Voetnoot 8)

Uitspraak rechtbank van 11 maart 2025

8. De rechtbank heeft bij de in rechtsoverweging 4.2 vermelde uitspraak van 11 maart 2025, voor zover van belang, geoordeeld dat de minister bij het horen en het beslissen op de opvolgende asielaanvraag van eiser voldoende rekening heeft gehouden met de persoon van eiser. Daarnaast heeft de rechtbank bij die uitspraak, voor zover van belang, geoordeeld dat eiser ook in het kader van zijn opvolgende asielaanvraag niet overtuigend heeft kunnen verklaren over zijn homoseksuele gerichtheid. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de minister niet ten onrechte het standpunt inneemt dat de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid en de groei die hij daarin stelt te hebben doorgemaakt in het algemeen gezien vrij oppervlakkig en weinig overtuigend zijn.

8.1.

Bij de uitspraak van 11 maart 2025 heeft de rechtbank, voor zover van belang, verder overwogen dat eiser met de door hem overgelegde verklaringen van derden aannemelijk heeft proberen te maken dat hij al een geruime tijd een bestendig leven leidt dat past bij zijn verklaringen over zijn seksuele gerichtheid en dat tijdverloop in dit opzicht in zijn voordeel werkt. De rechtbank is van oordeel dat de minister de verklaringen van derden in het besluit van 18 november 2024 onvoldoende op die manier bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. Uit de verklaringen van derden kan volgens de rechtbank worden opgemaakt dat eiser lange tijd (sinds 2021) opvang heeft gehad in het lhbti-huis van SNDVU, dat hij sinds 2022 regelmatig projecten bezoekt van Stichting Prisma en dat hij een relatie heeft met [naam]. De rechtbank is van oordeel dat de minister al deze verklaringen onvoldoende kenbaar in onderlinge samenhang heeft gewogen. De rechtbank heeft de minister opgedragen opnieuw te beslissen op de opvolgende asielaanvraag met inachtneming van de uitspraak.

8.2.

De minister en eiser hebben geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 11 maart 2025 van de rechtbank. Op grond van de zogeheten Brummen-rechtspraak (Voetnoot 9) moet daarom in deze procedure worden uitgegaan van de juistheid van de diverse bij die uitspraak van 11 maart 2025 gegeven rechtsoordelen.

Geloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid

9. Deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft bij uitspraak van 8 maart 2021 geoordeeld dat de minister bij de beoordeling van eisers eerste asielaanvraag de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid en de problemen die hij als gevolg daarvan stelt te hebben ondervonden ongeloofwaardig heeft mogen achten. Dat oordeel staat in rechte vast. Tevens moet op grond van de uitspraak van 11 maart 2025 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, zoals uitgelegd in rechtsoverweging 8.2, in deze procedure bij de beoordeling van het bestreden besluit ervan worden gegaan dat eiser ook aan zijn opvolgende asielaanvraag geen overtuigende verklaringen heeft afgelegd over zijn homoseksuele gerichtheid en de groei die hij daarin stelt te hebben doorgemaakt.

9.1.

Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag en nadien verklaringen overgelegd van SNDVU van april 2023 en 6 mei 2025, een verklaring van stichting Prisma van 16 mei 2023, verklaringen van 18 november 2024 en 3 juni 2026 van COC Midden-Nederland, een COC-ledenpas, een verklaring van Church Amsterdam van 6 mei 2025 en foto’s van deelname aan homo-evenementen en/of feesten in onder meer Utrecht en Amsterdam, alsook een brief van zijn gestelde vriend [naam] en foto’s van hem.

9.2.

De rechtbank stelt vast dat uit de door eiser overgelegde verklaringen van derden, ondersteund met foto’s, blijkt dat eiser vanaf 2021 opvang heeft gehad in het lhbti-huis van SNDVU en dat hij vanaf 2022 regelmatig feesten en bijeenkomsten gericht op de lhbti-gemeenschap bezoekt, zoals bijvoorbeeld de “empowerment groepen voor biculturele lhbtqi+” bij Prisma, het buddyprogramma voor lhbtqi+asielzoekers van COC Midden-Nederland en feesten bij Church Amsterdam.

9.3.

Met de minister is de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen van derden de ontoereikende verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid niet kunnen compenseren. Aan de hand van eisers beroepsgronden licht de rechtbank dit oordeel hierna toe.

9.4.

Eiser voert aan dat hij niet meer homoseksueel is dan eerder. Hij stelt dat het verschil met de vorige procedure is dat hij meer dan eerst in staat is voor zijn geaardheid uit te komen door zich vrij te begeven in de lhbti-scene. Hierover heeft hij verklaard en hij heeft verklaringen van derden ingebracht. Eiser stelt dat de minister heeft nagelaten alle documenten in onderlinge samenhang te beoordelen. De minister legt telkens een verklaring naast zijn verklaringen en daarmee wordt de waarde van die verklaringen illusoir. Volgens eiser handelt de minister daarmee in strijd met WI 2019/17.

9.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals uit rechtsoverweging 7 volgt heeft de minister in overeenstemming met WI 2019/17 en vaste rechtspraak van de Afdeling terecht de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van de door hem overgelegde verklaringen van derden. De minister heeft vervolgens die verklaringen niet terzijde geschoven vanwege eisers ongeloofwaardige verklaringen, maar elke verklaring beoordeeld op de daarin opgenomen feitelijke informatie over de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser en zijn gestelde groei daarin. De minister heeft daarbij in het bestreden besluit en het daarin opgenomen voornemen uitvoerig gemotiveerd dat en waarom de desbetreffende verklaringen, afzonderlijk en in samenhang, de ongeloofwaardigheid van eisers relaas niet kunnen compenseren.

9.6.

Eiser voert verder aan dat de door eiser overgelegde informatie van SNDVU – met verwijzing naar het logboek – is gebaseerd op observatie over een langere periode en meerdere contacten met eiser. Dat logboek toont aan dat er veel contact met eiser is geweest. Eiser stelt ook dat hij behoort tot de homoseksuele doelgroep van Church Amsterdam en dat het waarde heeft dat hij Church Amsterdam heeft bezocht. Ook aan de verklaring van Prisma heeft de minister volgens eiser ten onrechte niet enig gewicht toegekend. Eiser stelt dat de minister de door hem overgelegde verklaringen ten onrechte niet geplaatst heeft in de context van eisers actieve deelname en het bewegen in de lhbti-scene. Al die documenten zijn niet alleen een bewijs van deelname, maar zijn volgens eiser veel meer dan dat. Eiser betoogt dat de minister miskent dat hij al jarenlang bekend is en meedraait in de lhbti-gemeenschap. Eiser heeft dat aangetoond met de door hem overgelegde documenten. Volgens eiser is het niet logisch dat een heteroseksueel persoon zich jarenlang onderdompelt in de lhbti-scene. Eiser meent dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen iemand die één of een paar keer een organisatie bezoekt of iemand – zoals hij – die jarenlang regelmatig een organisatie en bijeenkomsten en feesten bezoekt. De minister heeft dat onderscheid ten onrechte niet gemaakt. Daarmee heeft de minister volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom het feit dat hij zo actief is in de lhbti-wereld geen groot gewicht in de schaal legt in de beoordeling van zijn homoseksuele geaardheid.

9.7.

Ook dit betoog kan eiser niet baten. De minister heeft in positieve zin meegewogen dat eiser deelneemt aan lhbti-bijeenkomsten en zich begeeft in de homoscene, zoals ook blijkt uit de door hem overgelegde ondersteunende verklaringen en overige documenten. De minister heeft dat – in het licht van eisers eigen verklaringen – echter onvoldoende kunnen achten voor het alsnog aannemen van de geloofwaardigheid van eisers gestelde seksuele gerichtheid. (Voetnoot 10) Dat eiser jarenlang en regelmatig lhbti-bijeenkomsten heeft bezocht en zich heeft opgehouden in de lhbti-gemeenschap noopt niet tot een ander oordeel. Anders dan eiser lijkt te betogen, volgt daaruit niet zonder meer dat hij wel homoseksueel moet zijn en dat zijn verklaringen daarover niet langer van belang zijn.

9.8.

Het beroep van eiser ter zitting op de uitspraak van 25 maart 2026 van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam (Voetnoot 11), kan geen doel treffen, reeds omdat in deze procedure vaststaat dat voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser en dat hij met een oppervlakkig relaas niet overtuigend heeft kunnen verklaren over zijn homoseksuele geaardheid. Het was dan ook niet aan de minister om in het kader van het nieuw te nemen besluit op eisers opvolgende asielaanvraag nader te concretiseren en te onderbouwen welke authentieke verklaringen van eiser verwacht werden.

9.9.

Voor zover in de door eiser overgelegde brieven van 18 november 2024 en 3 juni 2026 van COC Midden-Nederland is vermeld dat eiser “duidelijk” een lid is van de lhbtq+ gemeenschap, heeft de minister daaraan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (Voetnoot 12) weinig waarde hoeven hechten.

9.10.

Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ook ten grondslag gelegd dat hij een homoseksuele relatie heeft met [naam]. Eiser heeft daartoe onder meer een brief van [naam] overgelegd.

9.11.

Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de brief van [naam] in het geheel niet positief laat meewegen en dat de minister voorbij gaat aan de kern van die brief, te weten dat [naam] in deze brief stelt een relatie te hebben met eiser.

9.12.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich afdoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser een homoseksuele relatie heeft met [naam]. De minister werpt eiser terecht tegen dat hij en de SNDVU tegenstrijdig hebben verklaard over de plaats waar eiser [naam] voor het eerst heeft ontmoet. Eiser heeft in zijn GOA (Voetnoot 13) verklaard dat dit was in een gaybar. In de verklaring van april 2023 (Voetnoot 14) heeft SNDVU naar voren gebracht dat dit was bij voetbal in [plaats]. Ook werpt de minister eiser terecht tegen dat, zoals ter zitting nader toegelicht, [naam] in zijn nader gehoor van 21 maart 2023 noch in zijn aanvullend gehoor van 20 juli 2023 heeft verklaard over zijn relatie met eiser, terwijl hij wel heeft verklaard over diverse andere relaties. Naar eigen zeggen duurde de relatie met [naam] toen al meer dan één jaar. Eiser heeft geen concrete verklaring gegeven waarom zijn gestelde partner [naam] desondanks de relatie niet heeft genoemd in één van zijn gehoren. De minister stelt terecht dat dit ernstige afbreuk doet aan de gestelde relatie met [naam]. De minister heeft, anders dan aangevoerd, eisers gestelde partner dan ook niet hoeven te horen over de relatie.

9.13.

Eiser heeft ten slotte een journaal van de huisarts overgelegd over de periode van 15 oktober 2019 tot en met 2 juni 2026. In dat journaal is, voor zover van belang, vermeld dat eiser seks heeft gehad met een man zonder condoom, dat hij zich heeft laten testen op een eventuele geslachtsziekte en dat hij in afwachting is van de uitslag daarvan.

9.14.

Ook met deze informatie heeft eiser niet alsnog – en in weerwil van zijn tegenover de minister overgelegde verklaringen – aannemelijk gemaakt dat hij homoseksueel is. De minister heeft zich ter zitting op goede gronden op het standpunt gesteld dat aan de informatie van de huisarts weinig waarde kan worden gehecht, omdat die informatie niet meer is dan een weergave van wat eiser zelf heeft opgegeven bij zijn huisarts.

Inreisverbod

10. Tegen het inreisverbod heeft eiser geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat dit geen verdere bespreking behoeft.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser en het aan hem opgelegde inreisverbod in stand blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Schutte, rechter, in aanwezigheid van mr.M.C.M. van Dommele, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Zaak NL25.22918.

Voetnoot 3

zaaknummer NL20.18393 (niet gepubliceerd).

Voetnoot 4

zaaknummer 202101649/1/V2 (niet gepubliceerd).

Voetnoot 5

zaaknummer NL24.45514, ECLI:NL:RBDHA:2025:3901.

Voetnoot 6

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885.

Voetnoot 7

Zie de uitspraak van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2884.

Voetnoot 8

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754.

Voetnoot 9

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:111.

Voetnoot 10

Vgl. ook de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1508 (r.o. 3.2).

Voetnoot 11

ECLI:NL:RBDHA:2026:6560.

Voetnoot 12

Zie de uitspraak van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754 (r.o. 2.1).

Voetnoot 13

pp. 10-11.

Voetnoot 14

p. 3.