RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E.M.G. Walraven).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Voetnoot 1). De minister heeft bij besluit van 19 november 2024 (het bestreden besluit) de asielaanvraag van eiser van 27 juli 2023 als kennelijk ongegrond afgewezen.
1.1
Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven.
Overwegingen
Overwegingen
3. Eiser heeft eerder een asielverzoek ingediend in Nederland, namelijk op 28 maart 2018. Hieraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij Uganda heeft verlaten als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen. De minister heeft die aanvraag bij besluit van 24 juli 2020 afgewezen als ongegrond en daarbij tevens aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. In dat besluit heeft de minister de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig geacht.
4. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 23 september 2021 (Voetnoot 2), is het beroep van eiseres tegen het besluit van 24 juli 2020 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het hoger beroep van eiser bij uitspraak van op 4 november 2022 ongegrond heeft verklaard (Voetnoot 3).
5. Eiseres is niet teruggekeerd naar Uganda.
6. Op 27 juli 2023 heeft eiser (opnieuw) een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat zijn homoseksuele geaardheid in de eerdere procedure ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Eiser stelt dat hij in de eerdere procedure niet alles heeft kunnen/durven vertellen en dat hij destijds niet goed was voorbereid waardoor hij niet goed kon verklaren. Eiser stelt ook sinds zijn vorige procedure meerdere relaties te hebben gehad en aan meerdere activiteiten vanuit de LHBTI-gemeenschap te hebben deelgenomen. Bij terugkeer naar Uganda vreest eiser te worden opgepakt vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Ook vreest eiser dat de autoriteiten in Uganda op de hoogte zijn van zijn homoseksuele geaardheid vanwege eisers Facebookberichten en een ondertekende petitie. Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser een aantal documenten overgelegd.
7. De minister heeft de aanvraag van eiser bij het bestreden besluit als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000, omdat hij de homoseksuele geaardheid van eiser (nog steeds) niet geloofwaardig acht.
8. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op wat hij heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan. Daarbij zal de rechtbank ook de stukken betrekken, voor zover van belang, die partijen nog kort voor de zitting hebben toegevoegd aan het digitale dossier, namelijk de aanvullende beroepsgronden van eiser van 30 juni 2026 en het verweerschrift van de minister van 1 juli 2026.
Verwijzing naar wat eerder is aangevoerd
9. Eiser verzoekt om wat hij eerder in deze procedure heeft aangevoerd in beroep als herhaald en ingelast te beschouwen.
9.1
De rechtbank overweegt dat deze enkele verwijzing, zonder nadere toelichting op welke concrete punten de reactie van de minister in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn, onvoldoende is om als beroepsgrond te worden aangemerkt waarop de rechtbank moet ingaan. Voor zover eiser in het vervolg van zijn beroepsgronden uitlegt op welke punten de reactie van de minister op wat eiser eerder heeft aangevoerd onjuist of onvolledig is geweest, zal de rechtbank daarop – voor zover van belang – in het hiernavolgende ingaan.
De nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling
10. Volgens eiser heeft de minister aan de besluitvorming ten onrechte de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling ten grondslag gelegd zoals vastgelegd in werkinstructie 2024/6.
10.1
De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de arresten Quotal en Ebilum (Voetnoot 4) volgt dat de rechtbank, anders dan eerder in de nationale rechtspraak werd aangenomen, de geloofwaardigheid van het asielrelaas vol mag toetsen. Gezien het toetsingskader dat volgt uit deze arresten, heeft de rechtbank de bevoegdheid om een eigen beoordeling te maken met betrekking tot de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De rechtbank ziet aanleiding om dat in deze zaak te doen. De beroepsgrond van eiser over de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister behoeft daarom geen nadere bespreking.
Beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers homoseksuele geaardheid
11. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat in casu sprake is van een opvolgende asielaanvraag waaraan eiser opnieuw – net als in zijn eerste asielprocedure – zijn homoseksuele geaardheid ten grondslag heeft gelegd. Eisers eerdere verklaringen over zijn homoseksuele geaardheid zijn in de eerste asielprocedure ongeloofwaardig geacht en die beoordeling staat in rechte vast (zie rechtsoverwegingen 3 en 4). De rechtbank neemt dit als vertrekpunt bij de beoordeling van de vraag of eisers homoseksuele geaardheid thans (alsnog) geloofwaardig is te achten. Dit betekent dat het in de onderhavige procedure niet zonder betekenis is dat en waarom eisers homoseksuele geaardheid in de eerste asielprocedure ongeloofwaardig is geacht. Dit betekent ook dat de minister eiser in deze opvolgende procedure alleen hoefde te bevragen over de door hem aangevoerde nieuwe omstandigheden en niet over alle thema’s die ook in de eerste procedure aan de orde zijn gekomen. Dat volgens eiser zijn homoseksuele geaardheid in de eerdere procedure ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, staat hier voorts niet ter beoordeling.
12. Ter beoordeling staat of eiser – ten opzichte van de eerdere procedure – alsnog zijn homoseksuele geaardheid aannemelijk heeft gemaakt. Met het oog hierop heeft de minister eiser op 13 november 2024 opnieuw gehoord in het kader van zijn opvolgende asielaanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd, om zijn homoseksuele geaardheid alsnog aannemelijk te maken, ook niet met alle stukken die eiser in de (beroeps)procedure nog heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn homoseksuele geaardheid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
12. In de eerste asielprocedure heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat eiser weinig inzicht heeft verschaft in zijn persoonlijke beleving van zijn seksuele geaardheid en hierover slechts summier heeft verklaard (Voetnoot 5). Ook in de onderhavige asielprocedure blijft eiser summier in de beleving van zijn geaardheid, ondanks dat hij heeft verklaard dat hij al zes jaar naar de Cocktail-meetings gaat en dat hij deelneemt aan LHBTI-activiteiten. Eiser blijft oppervlakkig over wat deze bijeenkomsten en activiteiten met hem doen, wat deze voor hem betekenen en hoe deze bijdragen aan het uiten dan wel ervaren van zijn homoseksuele geaardheid. Door te verklaren dat hij het fijn vindt om met mensen om te gaan, dat hij vrienden heeft gemaakt, dat hij blij en gelukkig van wordt om deel te nemen aan deze activiteiten en dat het hem rustig maakt (Voetnoot 6), geeft eiser geen inzicht in de persoonlijke/innerlijke beleving van zijn homoseksuele geaardheid. Met de verklaring van eiser dat hij vrijwilligerstaken heeft opgepakt bij de Cocktail-events om iets terug te doen voor de mensen die hem hebben geholpen (Voetnoot 7), heeft eiser evenmin inzicht gegeven hoe dit bijdraagt aan het uiten en/of ervaren van zijn homoseksuele geaardheid. Op de vraag wat het met eiser deed om de Gaypride mee te maken, heeft eiser voorts verklaard dat hij heel blij was, dat hij dat nooit heeft gezien in Uganda en dat iedereen aan het vieren was (Voetnoot 8). Ook hiermee heeft eiser geen inzicht gegeven in wat het bijwonen van de Gaypride met hem doet, wat dit voor hem betekent en hoe dit bijdraagt aan het uiten en ervaren van zijn homoseksuele geaardheid. Dat eiser meerdere verklaringen van derden heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat eiser naar de Cocktail-meetings gaat, deelneemt aan LHBTI-activiteiten en daar contact heeft met LHBTI’s, laat het vorenstaande onverlet.
14. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser, evenals in de vorige procedure (Voetnoot 9), ook thans summier en oppervlakkig heeft verklaard over de ontdekking van zijn homoseksuele geaardheid, hoe hij daarmee omging en wat dit met hem deed (proces van acceptatie). Eiser heeft in het gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat hij nu beter dan in de eerste procedure in staat is om hierover uitleg te geven (Voetnoot 10), maar naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geenszins gebleken. Eiser heeft in het gehoor opvolgende aanvraag namelijk enerzijds op dit punt herhaald wat hij ook in de eerste procedure heeft verklaard, terwijl hij voor het overige slechts heeft verklaard in algemeenheden dat hij ontdekte dat hij homoseksueel was en hoe hij daarmee omging. De rechtbank wijst er in dit verband tevens op dat de verklaringen van eiser hierover op de pagina’s 4 en 5 van het gehoor opvolgende aanvraag juist algemener en summierder van aard zijn dat eisers eerdere verklaringen tijdens zijn eerste procedure (pagina’s 10-13 van het nader gehoor van 16 november 2018 en pagina’s 5-8 en 10 en 12 van het aanvullend gehoor van 22 januari 2020). Dit verdraagt zich niet met de verklaring van eiser dat hij nu beter dan in de eerste procedure in staat is om uitleg te geven over de ontdekking van zijn homoseksuele geaardheid, hoe hij daarmee omging en wat dit met hem deed. Eiser kan voorts niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij voldoende heeft verklaard over zijn (proces van) zelfacceptatie. Nu eiser in zijn eerste procedure juist uitgebreider heeft verklaard over de ontdekking van zijn homoseksuele geaardheid, hoe hij daarmee omging en wat dit met hem deed, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat thans onvoldoende rekening is gehouden met eisers persoonlijke referentiekader en met wat Buro Kleurkracht in het door eiser ingebrachte rapport heeft geschreven over het uiten van gevoelens in de Ugandese cultuur.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser eveneens summier en oppervlakkig verklaard over hoe hij [naam] – met wie hij heeft gedatet – online heeft ontmoet en hoe deze persoon hem benaderde. Eiser heeft tegenover de minister verklaard dat hij de manier waarop [naam] hem benaderde zo leuk vond, maar hierop doorvragend heeft eiser alleen maar verklaard dat [naam] open was en dat hij vertelde over zijn achtergrond, werk en gezondheid (Voetnoot 11). Eiser heeft zeer summier verklaard over wat hij leuk vond aan [naam]. Ook over de redenen dat eiser verliefd is geworden op [naam] heeft eiser louter algemeen verklaard, namelijk dat dit er mee te maken had dat [naam] aardig en niet oud was, dat hij een goede stem had, dat hij zei dat hij van eiser hield en dat hij knap en zorgzaam was (Voetnoot 12). Hiermee heeft eiser onvoldoende inzicht gegeven in de redenen waarom hij verliefd is geworden op [naam]. Daarnaast heeft eiser ook geen inzicht gegeven in hoe het voor hem was om de relatie met [naam] te verbreken. Immers, desgevraagd heeft eiser hierover alleen maar verklaard dat het hem pijn deed en dat hij dacht aan wat VWN tegen hem had gezegd in een gesprek (Voetnoot 13). De rechtbank mist authenticiteit.
16. Gelet op het vorenstaande en met inachtneming van de omstandigheid dat (en waarom) eisers homoseksuele geaardheid in de eerste asielprocedure ongeloofwaardig is geacht, is de rechtbank van oordeel dat eiser er in de onderhavige procedure niet in is geslaagd om zijn homoseksuele geaardheid alsnog aannemelijk te maken. Wat eiser overigens nog heeft aangevoerd en overgelegd ter onderbouwing van zijn homoseksuele geaardheid, waaronder foto’s van deelname aan LHBTI-activiteiten en screenshots van chatberichten, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daarbij merkt de rechtbank op dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid van eiser de nadruk ligt op de eigen verklaringen van eiser en het persoonlijke en authentieke verhaal dat hij vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde homoseksuele geaardheid. Foto’s en chatberichten kunnen hoogstens dienen als ondersteunend bewijs maar geven niet de doorslag. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag afgelegde verklaringen over zijn homoseksuele geaardheid niet overtuigen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht van eiser worden verwacht dat hij meer diepgaande, authentieke en persoonlijke verklaringen zou kunnen afleggen over zijn homoseksuele geaardheid, juist omdat hij al zeer geruime tijd de gelegenheid heeft gehad om te reflecteren op zijn persoonlijke gevoelens en beleving ten aanzien van zijn homoseksuele geaardheid. Daarom leidt ook de wijze waarop eiser in de praktijk (al langere tijd) invulling geeft aan zijn gestelde homoseksuele geaardheid, niet tot een ander oordeel.
17. Uit het voorgaande volgt dat de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is te achten, zoals de minister ook in het bestreden besluit stelt.
18. Eiser heeft tot slot betoogd dat hij bij terugkeer naar Uganda als homoseksueel zal worden beschouwd omdat hij langere tijd zichtbaar is geweest bij LHBTI-gerelateerde activiteiten in Nederland en hij zich via sociale media (Facebook) openlijk heeft geassocieerd met de LHBTI-gemeenschap.
18. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de minister in de besluitvorming gemotiveerd uiteengezet heeft, blijkt nergens uit dat eiser iets van de Ugandese autoriteiten heeft vernomen en blijkt ook nergens uit dat de Ugandese autoriteiten op de hoogte zijn van de LHBTI-activiteiten van eiser in Nederland, daaronder tevens begrepen het ondertekenen van een petitie door eiser. Dit geldt ook voor de berichten van eiser op Facebook, waarbij daarnaast van belang is – zoals de minister eveneens heeft gemotiveerd in de besluitvorming – dat het bereik van eisers Facebookaccount klein is en dat eiser slechts 300 vrienden op Facebook heeft. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat eiser de negatieve belangstelling van de Ugandese autoriteiten heeft gewekt en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor bij terugkeer naar Uganda te vrezen heeft voor persoonlijke problemen met de Ugandese autoriteiten. De rechtbank benadrukt daarbij nog dat de enkele mogelijkheid dat eiser misschien in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Ugandese autoriteiten onvoldoende is (Voetnoot 14).