Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:21161

Op 29 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is AWB 26-10451 en NL26.35385, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21161. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
AWB 26-10451 en NL26.35385
Datum uitspraak:
29 July 2026
Datum publicatie:
29 July 2026

Indicatie

HTL (plaatsingsbesluit), art. 56 (vrijheidsbeperkende maatregel), incident met zeer grote impact, beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.35385 en AWB 26/10451

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 31 mei 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser per 31 mei 2026 in de HTL (Voetnoot 1) in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). (Voetnoot 2) Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw (Voetnoot 3) op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.

1.1.

Eiser heeft op 25 juni 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 21 juli 2026 een verweerschrift heeft ingediend.

1.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 24 juli 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen en de minister en het COa hebben zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit

De feitelijke verslaglegging van het incident

3. In de verslaglegging van het COa staat – samengevat – over het incident het volgende. Op 28 mei 2026 heeft eiser het bord van zijn kamergenoot van tafel geslagen terwijl deze aan het eten was. Hierop zou de kamergenoot eiser een duw hebben gegeven. Vervolgens heeft eiser zijn kamergenoot met een mes gestoken. Hierna heeft de kamergenoot van eiser zich gemeld bij de receptie met een verwonding van ongeveer één centimeter aan de linkerzijde van zijn borst, waaruit bloed sijpelde. De kamergenoot van eiser verklaarde hierbij dat hij door eiser was gestoken. Naar aanleiding hiervan hebben medewerkers van het COa de hulpdiensten ingeschakeld. De kamergenoot is door ambulancepersoneel overgebracht naar het ziekenhuis. Eiser is vervolgens, met behulp van een stroomstootwapen, aangehouden op zijn kamer en overgebracht naar het politiecellencomplex in Groningen. Tijdens het politieonderzoek is in de kamer van eiser een mes aangetroffen.

Wat vindt eiser?

4. Eiser voert aan dat het COa ten onrechte het plaatsingsbesluit heeft genomen. Eiser verbleef met drie andere mannen in een kamer op het asielzoekerscentrum in Groningen. Vanaf het begin zouden eiser en twee van zijn kamergenoten problemen hebben ondervonden met de vierde kamergenoot. Klagen hierover bij het COa heeft niet tot een oplossing geleid. Daarnaast maakte eiser vanwege ademhalingsproblemen gebruik van een beademingsapparaat. De betreffende kamergenoot rookte op de kamer, waardoor eiser gezondheidsklachten ondervond. Eiser stelt daarnaast dat deze kamergenoot in de nacht zijn ademhalingsapparaat heeft uitgezet. Ook zou de kamergenoot eiser met een mes hebben bedreigd tijdens het incident. Volgens eiser was daarom sprake van een geleidelijk escalerend conflict tussen hem en deze kamergenoot.

4.1.

Daarnaast vindt eiser dat de HTL in Hoogeveen niet geschikt voor hem is, gelet op zijn medische situatie. Eiser is onder behandeling bij GGZ-instelling De Evenaar en stelt dat zijn verblijf in de HTL een negatief effect heeft op zijn psychische gezondheid. Eiser verwijst hierbij naar verschillende medische stukken en een uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 waarin het verzoek om een voorlopige voorziening, gelet op eisers medische omstandigheden, werd toegewezen. (Voetnoot 4) Daarnaast stelt eiser dat er sinds zijn verblijf op de HTL niets met hem gebeurt. Zo is er volgens eiser bijvoorbeeld geen behandelplan opgesteld. Eiser is daarom van mening dat zijn verblijf in de HTL moet worden beëindigd en hij verzoekt het COa om hem te plaatsen in een opvanglocatie nabij Amsterdam of Groningen.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een incident met zeer grote impact. Het gedrag van eiser (gericht steken in de borst) was erop gericht om ernstige fysieke schade toe te brengen aan de kamergenoot. Dat de verwonding niet levensbedreigend bleek, doet hieraan niet af. Dat eiser stelt dat er sprake was van een geleidelijk escalerend conflict tussen eiser en zijn kamergenoot, doet aan de ernst van dit incident niet af.

5.1.

Wat betreft eisers medische situatie overweegt de rechtbank dat het GZA (Voetnoot 5) door het COa is gevraagd of zij medische belemmeringen ziet om de zorg in de HTL over te nemen. Het GZA heeft vervolgens laten weten dat er geen bezwaar is tegen eiser zijn komst, maar dat het wel van belang is dat eisers afspraken bij De Evenaar vanuit de HTL gecontinueerd kunnen worden. De minister heeft in zijn verweerschrift van 21 juli 2026 verklaard navraag te hebben gedaan bij de HTL of eiser verlof krijgt voor deze afspraken. Dit bleek het geval te zijn. Alle afspraken die eiser heeft bij De Evenaar staan in de agenda van de HTL en ook nieuwe afspraken worden genoteerd. Eiser gaat vanuit de HTL met een zorgtaxi naar deze afspraken. Gelet op de toestemming van het GZA en het feit dat eiser naar zijn afspraken bij De Evenaar kan gaan, is niet gebleken dat de HTL vanwege de medische situatie van eiser ongeschikt is. Eiser heeft medische stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat de HTL een negatief effect heeft op zijn psychische gezondheid. Het gestelde negatieve effect blijkt daar echter niet uit. De uitspraak waar eiser naar verwijst, ziet bovendien op de Dublinoverdracht naar Kroatië en niet op de onderhavige zaak. Voor zover eiser aanvoert dat hij op de HTL geen behandelprogramma volgt, heeft eiser dit niet nader onderbouwd. Daarbij merkt de rechtbank op dat het eiser vrijstaat om zich hierover te beklagen bij het COa.

Vrijheidsbeperkende maatregel

6. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.

7.1.

Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier, op 29 juli 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Handhaving- en Toezichtlocatie.

Voetnoot 2

Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.

Voetnoot 3

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RBOBR:2026:2933.

Voetnoot 5

Gezondheid Zorg Asielzoekers.