Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:21242

Op 29 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.50914 en NL25.50915, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21242. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.50914 en NL25.50915
Datum uitspraak:
29 July 2026
Datum publicatie:
30 July 2026

Indicatie

Asiel Marokko, identiteit, herhaling van zetten ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.50914 (beroep)

NL25.50915 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1993, van Marokkaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. E. Stap),

alias

[alias], geboren op [geboortedag] 1993 en van Marokkaanse nationaliteit,

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en voorzieningenrechter (rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

1.1.

Eiser heeft op 25 september 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 oktober 2025 kennelijk ongegrond verklaard.

1.2.

De minister heeft eerder op 31 maart 2025 een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken aan eiser uitgevaardigd. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

1.3.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

1.4.

Met toestemming van partijen is het onderzoek op de zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de kennelijke ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Asielrelaas

4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij in 2017 is mishandeld door een groep van de Tractor-partij, omdat hij op een persoon van de Hamama-partij had gestemd in de (gemeente) verkiezing. Eiser is gewond geraakt aan zijn arm, waar hij aangifte van heeft gedaan. Bij terugkeer naar Marokko in 2021 is eiser opnieuw in de problemen gekomen met dezelfde partij. Door hun toedoen is eiser veroordeeld tot een maand gevangenisstraf. In 2021 is eiser via Nador opnieuw naar Italië gevlucht. Bij terugkeer vreest eiser nog steeds voor de Tractor-partij en in het bijzonder voor Mourad.

Het bestreden besluit

5. Volgens de minister bestaat het asielrelaas van eiser uit de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst; en,

Problemen met de Tractor-partij wegens het stemmen in een (gemeente)verkiezing.

5.1.

De minister heeft de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De identiteit en de problemen van eiser met de Tractor-partij zijn door de minister niet geloofwaardig geacht.

Herhaling van zetten

6. In de gronden van beroep heeft eiser onder andere aangevoerd dat de inhoud van de zienswijze onvoldoende is betrokken bij de beoordeling door de minister. Zo stelt eiser dat hij een reguliere verblijfsvergunning in Italië had en dat hij daarom een verschoonbare reden heeft waarom hij geen asiel heeft aangevraagd in Italië. Ook herhaalt eiser dat hij niet in het bezit is van documenten die de rechtszaken in Marokko kunnen onderbouwen omdat hij geen geld heeft om een advocaat te betalen.

6.1.

De rechtbank overweegt dat hetgeen eiser heeft aangevoerd, een herhaling is van wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit hierop gemotiveerd is ingegaan. Nu eiser niet heeft aangegeven waarom de weerlegging van die bezwaren onjuist is dan wel op welke andere wijze het bestreden besluit de toets in rechte niet kan doorstaan, kan een enkele herhaling van zetten niet tot enig resultaat leiden. Deze gronden slagen dan ook niet.

Identiteit

7. Eiser voert ook aan dat zijn identiteit ten onrechte niet geloofwaardig wordt geacht. Door een systeemfout of administratieve fout in Duitsland wijkt zijn voornaam daar af van de voornaam die hij in Nederland heeft opgegeven. De overige door hem opgegeven gegevens matchen wel met elkaar.

8. De rechtbank overweegt dat het opgeven van verschillende aliassen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de identiteit van eiser. In het bestreden besluit is uitgelegd dat eiser in Duitsland staat geregistreerd onder een andere naam. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de verschillen in de voornamen dusdanig zijn dat dit niet verklaard kan worden door een systeemfout. Nu de minister uit mag gaan van de gegevens die bekend zijn in andere lidstaten is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij niet onder verschillende aliassen bekend staat en dat hij consistent is geweest in zijn verklaringen over zijn persoonsgegevens richting verschillende autoriteiten. De enkele blote stelling dat hij in Duitsland bekend staat onder een andere voornaam het gevolg is van een systeemfout in Duitsland, is onvoldoende om dit aannemelijk te maken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.50914:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.50915:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.