Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:21243

Op 29 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.13351 en NL26.13352, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21243. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.13351 en NL26.13352
Datum uitspraak:
29 July 2026
Datum publicatie:
30 July 2026

Indicatie

Vrijwillig vertrokken met IOM, niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.13351 (beroep)

NL26.13352 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1987, van Oezbeekse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. B.G. Smouter)

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening inhoudende dat hij tijdens de beroepsprocedure niet uit Nederland gezet mag worden.

1.1.

De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 9 maart 2026 (het overdrachtsbesluit) niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. (Voetnoot 1)

1.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening.

1.3.

De rechtbank doet met toestemming van partijen uitspraak zonder zitting. (Voetnoot 2)

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan toekomen, moet zij beoordelen of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep.

3. Bij het overdrachtsbesluit heeft de minister bepaald dat eiser zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Bulgarije. Uit EU-VIS (Voetnoot 3) is namelijk gebleken dat eiser een visum van Bulgarije heeft gekregen dat geldig was van 1 mei 2025 tot en met 13 augustus 2025. Dit visum was op het moment waarop eiser in Nederland asiel heeft aangevraagd nog geen zes maanden verlopen. Volgens artikel 12, vierde lid van de Dublinverordening (Voetnoot 4) is Bulgarije daarom verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. Gelet hierop heeft Nederland op 18 december 2025 de autoriteiten van Bulgarije verzocht eiser over te nemen. Op 23 december 2025 zijn de autoriteiten van Bulgarije hiermee akkoord gegaan. (Voetnoot 5)

4. Uit het digitale dossier blijkt dat eiser niet aan Bulgarije is overgedragen, maar op 29 april 2026 met behulp van het IOM (Voetnoot 6) is teruggekeerd naar zijn land van herkomst, Oezbekistan.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (Voetnoot 7) moet de bestuursrechter een beroep slechts inhoudelijk beoordelen als de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.

6. Eiser is niet overgedragen aan de autoriteiten van Bulgarije, maar met behulp van het IOM teruggekeerd naar Oezbekistan. Eiser heeft daarom geen belang bij een beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het overdrachtsbesluit, waarin is bepaald dat hij op grond van de Dublinverordening zal worden overgedragen aan Bulgarije. (Voetnoot 8) Aangezien eiser vrijwillig is vertrokken met het IOM mag worden aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op internationale bescherming. Bovendien volgt uit de stukken in het dossier dat eiser op 29 april 2026 een ‘verklaring vrijwillig vertrek uit Nederland’ van het IOM heeft ondertekend, waarin hij er onder andere mee instemt dat nog lopende verblijfsrechtelijke procedures worden ingetrokken. Het beoordelen van de vraag of de minister terecht Bulgarije verantwoordelijk heeft gesteld voor de overname van eiser dient daarmee geen doel meer.

7. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het overdrachtsbesluit, zodat het beroep niet-ontvankelijk is. Daarom wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden van eiser tegen het overdrachtsbesluit.

8. Het beroep is niet-ontvankelijk.

9. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Daarom wordt dit verzoek afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.

Voetnoot 3

Europese Unie -Visum Informatie Systeem.

Voetnoot 4

Verordening (EU) nr. 604/2013.

Voetnoot 5

Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.

Voetnoot 6

Internationale Organisatie voor Migratie.

Voetnoot 7

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoot 8

Volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8624.