uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1988, van Nepalese nationaliteit, verzoeker (gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Bij besluit van 6 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlenging van zijn GVVA (Voetnoot 1) met het verblijfsdoel ‘Arbeid in loondienst’ afgewezen.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 10 juli 2026 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt hem toe te staan tijdens de bezwaarprocedure te mogen blijven werken voor zijn werkgever.
1.3.
De voorzieningenrechter doet op grond van 8:83, derde lid, van de Awb (Voetnoot 2) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Op 28 juli 2026 heeft verweerder de voorzieningenrechter laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Gelet hierop en omdat de voorzieningenrechter ook verder geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Dit betekent dat verzoeker mag blijven werken bij zijn huidige werkgever totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Beslissing
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;
en, veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.