de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 28 september 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 oktober 2025 kennelijk ongegrond verklaard. Met het bestreden besluit heeft de minister aan eiser ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, tolk G. Lafond in de Frans-Kreoolse taal en de gemachtigde van de minister. Daarnaast was ook de vertrouwenspersoon van eiser aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de kennelijke ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij eind augustus of begin september 2024 bij zijn huis is benaderd door bendeleden die hem wilden rekruteren. Eiser heeft aangegeven dat hij later naar hen toe zou komen om zich bij de bende aan te sluiten. Dit heeft eiser niet gedaan en op 27 september 2024 heeft hij Haïti verlaten. Na zijn vertrek zijn de bendeleden weer langs zijn huis gegaan. Bij terugkeer naar Haïti vreest eiser vermoord te worden omdat hij weigert zich aan te sluiten bij de bende die hem wilde rekruteren. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer voor het algemene bendegeweld in Haïti.
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst; en
Rekrutering door een bende.
5.1.
De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De rekrutering door een bende heeft de minister ongeloofwaardig geacht, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser verklaart namelijk summier en wisselend over hoe het gesprek met de bendeleden verliep, vaag over zowel de bende als de bendeleden die aan de deur kwamen en onlogisch over wat hij met de bende heeft afgesproken. Eiser is dan ook geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.
Rekrutering door de bendeleden
6. Eiser voert aan dat hij niet summier en wisselend heeft verklaard over de rekrutering door de bendeleden. De bende is bij eiser aan de deur geweest op zoek naar jonge mannen om deze te rekruteren voor de oorlog tegen de politie en de autoriteiten van Haïti. De bendeleden vroegen bij het aanbellen aan de zus van eiser of er een jonge man thuis was, waardoor de zus wist dat eiser werd bedoeld. De bende heeft het niet nodig om bedreigingen te uiten, omdat iedereen weet dat de bende de macht heeft terwijl enige bescherming door de politie volstrekt niet te verwachten is.
6.1.
Verder voert eiser aan dat elke bende in Haïti wordt vernoemd naar de chef van de bende, welke regelmatig wisselt. Daarmee verandert ook de naam van de bendes regelmatig en is het niet ongebruikelijk dat iemand op een bepaald moment de naam van de chef en dus de bende niet weet.
6.2.
Na het vertrek van eiser uit Haïti en de bezoeken van de bende aan zijn familie, heeft eiser via via vernomen dat de bende nadien weer aan de deur is geweest om te vragen waar eiser verbleef. Dit vermoeden is aannemelijk te achten omdat de bende twee weken na het vertrek van eiser bij zijn familie had geïnformeerd waar hij was. De bende is naar hem op zoek omdat hij zich ondanks zijn toezegging nog niet bij hen had aangesloten. De bende is in totaal drie maal aan de deur van de ouderlijk woning van eiser geweest, waar werd gedreigd dat als eiser zich niet snel meldde er maatregelen zouden volgen, aldus eiser.
7. De rechtbank volgt de minister dat eiser summier en wisselend heeft verklaard over hoe het gesprek met de bendeleden verliep en dat eiser vaag heeft verklaard over zowel de bende als over de bendeleden die aan de deur kwamen. Eiser heeft namelijk weinig concreet kunnen vertellen hoe het gesprek met de bendeleden is gegaan en eiser heeft wisselend verklaard over wie de deur open deed. Ook kan eiser weinig verklaren over de drie personen die aan de deur kwamen, hij kan namelijk niet verklaren hoe de personen eruit zagen. Verder wist eiser tijdens het gehoor enkel de naam van de leider van de bende en niet de naam van de bende zelf en verklaart eiser vaag over de bende. De rechtbank volgt de minister ook dat eiser over het tweede bezoek weinig heeft verklaard. Wat betreft het derde bezoek van de bendeleden aan de woning van eiser, volgt de rechtbank de minister dat dit van horen zeggen is en dat eiser ook hier weinig concreet over heeft verklaard. Hij heeft alleen aangegeven dat bendeleden zijn langsgekomen maar niet wanneer, wie en wat de bendeleden hebben gezegd of van wie hij heeft gehoord dat ze zijn langsgekomen.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
8. Eiser stelt verder dat hij bij terugkeer naar Haïti vreest hij voor het willekeurig geweld dat door bendes wordt veroorzaakt in Haïti. Heel [plaats] , waar eiser voor zijn vertrek woonde, is gevaarlijk. Uit diverse objectieve bronnen volgt dat in Haïti nog steeds sprake is van ernstig willekeurig geweld waarvan de burgerbevolking slachtoffer kan worden. Door de enkele aanwezigheid van eiser in Haïti loopt hij een reëel risico op ernstige schade als gevolg van het willekeurig geweld. De minister heeft nagelaten om bij het bestreden besluit het CF en DN arrest (Voetnoot 1) en de uitspraak van de Afdeling (Voetnoot 2) van 17 juli 2024 (Voetnoot 3) te betrekken. Daaruit volgt namelijk dat gekeken moet worden naar de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict. Ook de geografische spreiding van het willekeurig geweld, de bestemming van de vreemdeling bij terugkeer en de vragen of, waar en hoe vaak de strijdende partijen opzettelijk geweld plegen tegen burgers moet worden betrokken bij de beoordeling. Ter onderbouwing heeft eiser meerdere documenten overgelegd.
9. De minister stelt zich op het standpunt dat in Haïti sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Ook heeft hij in de besluitvorming een beoordeling gemaakt conform het CF en DN arrest en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 (Voetnoot 4). De minister heeft een actuele beoordeling gemaakt van de situatie in Haïti. Hieruit blijkt dat er sprake is van een lichte stijging van het aantal dodelijke slachtoffers van bendegeweld. Hierbij moet worden opgemerkt dat de helft van de dodelijke slachtoffers zelf tot de strijdende partijen behoorden. Ten aanzien van het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld volgt uit de meest recente informatie in elk geval niet van een significante stijging in willekeurig geweld dat zich op burgers richt. Op de zitting heeft de minister hieraan toegevoegd dat het daarbij ook de vraag is of sprake is van gericht of willekeurig geweld nu er ook sprake is van veel crimineel bendegeweld. Verder volgt uit de meest recente informatie dat er sprake is van een lichte stijging van het aantal ontheemden. De minister ziet zich gesteund in zijn standpunt dat er in Haïti sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld door de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 5 januari 2026. (Voetnoot 5) Ten aanzien van het risico op ernstige schade kan volgens de rechtbank in die uitspraak met de nieuwste cijfers nog steeds niet worden gezegd dat iedereen een reëel risico loopt op ernstige schade.
10. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw (Voetnoot 6) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Deze bepaling is de implementatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in Haïti sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en niet van een uitzonderlijk of relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 6 januari 2026 niet te volgen. Met eisers verwijzing naar een brief van Vluchtelingenwerk en verschillende artikelen over de situatie in Haïti, heeft eiser niet kunnen uitleggen wat er niet klopt aan de uitspraak van 6 januari 2026 en waarom deze uitspraak niet gevolgd zou moeten worden. Ook heeft eiser hiermee niet kunnen uitleggen in hoeverre de cijfers waar eiser zich op beroept verschillen van de informatie waar de minister zich op beroept en die bij de uitspraak van 6 januari 2026 zijn betrokken. Bovendien heeft de rechtbank hierbij betrokken dat de minister ook in het verweerschrift is ingegaan op de actuele humanitaire situatie in Haïti.
12. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.50136:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.50137:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.