Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter
Wat is de conclusie van deze uitspraak?
2. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat verweerder nader onderzoek had moeten doen voordat hij tot een besluit kon komen. Het beroep is gegrond. De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. De rechtbank legt hierna uit, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, hoe zij tot dat oordeel komt.
Wat houdt het bestreden besluit in?
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. (Voetnoot 1) Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). (Voetnoot 2)In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van vóór 12 juni 2026 en heeft verweerder dat besluit dus ook genomen met toepassing van de Dublinverordening. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.
3.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.
Is overdracht van eiser in strijd met wat is bepaald in het arrest C.K.?
4. Eiser voert aan dat hij lijdt aan lichamelijke en psychologische klachten. De lichamelijke klachten zijn het gevolg van mishandeling door de Nigeriaanse politie. De psychologische klachten bestaan uit traumatische ervaringen die eiser heeft ondergaan als gevolg van zijn seksuele geaardheid. Eiser heeft daarnaast suïcidale gedachtes. Eisers traumatische ervaringen zijn deels opgelopen tijdens zijn verblijf als asielzoeker in Duitsland. Hij werd hier lastiggevallen door zijn medebewoners op de opvanglocatie. Wanneer hij hier over klaagde, werd hij bedreigd met de dood. Ook werd hij buitengesloten vanwege zijn homoseksualiteit. Verder voert eiser aan dat hij geen adequate medische behandeling heeft gekregen voor zijn (psychologische) klachten tijdens zijn verblijf in Duitsland. Zo heeft hij slechts één keer met een psychiater kunnen spreken. Deze psychiater was ver reizen en hij kreeg de reiskosten niet vergoed. Toen hij deze situatie wilde bespreken met zijn maatschappelijk werkster, wilde deze hem niet helpen vanwege zijn seksuele geaardheid. Eiser voert aan dat overdracht aan Duitsland een onmenselijke en vernederende behandeling zou opleveren in de zin van artikel 4 van het Handvest (Voetnoot 3) vanwege zijn (mentale) gezondheidstoestand en verwijst hierbij naar het arrest C.K. (Voetnoot 4). Eiser stelt hierbij dat verweerder zelf medisch onderzoek had moeten verrichten naar zijn mentale gesteldheid en zijn suïcidaliteit. Ter onderbouwing van zijn gezondheidstoestand heeft eiser de volgende (medische) stukken overgelegd: een uitdraai van zijn GCA dossier, een calamiteitenmelding, afspraakbevestigingen met de Praktijkondersteuner Huisarts Geestelijke Gezondheidszorg (POH-GGZ) en een brief van het ziekenhuis over de lichamelijke klachten in zijn schouder. Eiser doet verder een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 juni 2026. (Voetnoot 5)
5. Uit het arrest C.K. volgt dat, wanneer een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer een medisch deskundige het risico dat een vreemdeling suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht als reëel of hoog inschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van door het Bureau Medische Advisering (BMA) vastgestelde reisvereisten voorafgaand aan, tijdens of direct na de reis, de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van het EVRM als gevolg van de overdracht zelf wegnemen. (Voetnoot 6)
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan zoals die volgt uit het arrest C.K. tegen Slovenië. Eiser heeft in het Dublingehoor en bij zienswijze gewezen op zijn suïcidale gedachten en uitingen die gelinkt zijn aan zijn ervaringen tijdens zijn verblijf in Duitsland. Verweerder heeft naar aanleiding van het Dublingehoor ook zelf een calamiteitenmelding gedaan wegens suïcidedreiging op 26 maart 2026. Eiser heeft een beroep gedaan op het arrest C.K. bij zijn zienswijze en hij heeft ter onderbouwing hiervan gegevens uit zijn medisch dossier overlegd. Uit dit dossier blijkt dat eiser zich vanaf zijn binnenkomst in Nederland tot artsen heeft gewend voor zijn suïcidaliteit. Uit het dossier blijkt ook dat artsen zijn suïcidale uitingen serieus hebben genomen. Zo volgt uit de uitdraai van het GCA-dossier dat de dienstdoende arts op 30 maart 2026 per e-mail zijn zorgen heeft geuit over de mentale toestand van eiser. Daarbij heeft de arts verzocht eiser nauwlettend in de gaten te houden en is eiser doorverwezen naar een psychiater. Ook heeft eiser een afspraak gekregen bij de POH-GGZ en is hij op 30 maart 2026 doorverwezen naar Kleur GGZ. De problemen waar eiser in zijn Dublingehoor en bij zienswijze op heeft gewezen worden bevestigd door de in beroep overgelegde stukken. De rechtbank ziet ook bevestigd in de stukken dat eiser vanaf binnenkomst onafgebroken inspanningen heeft geleverd om een psycholoog te spreken, maar dat dit tot op heden niet is gelukt. Onder die omstandigheden lag het op de weg van verweerder om zich ervan te vergewissen dat voorafgaand aan de overdracht van eiser de benodigde voorzorgsmaatregelen zouden worden getroffen, waarbij rekening wordt gehouden met de gezondheidstoestand van eiser. Verweerder kon zich niet verschonen van deze plicht met de enkele mededeling dat er geen conclusie van een medisch deskundige ligt dat eiser bij overdracht een reëel risico loopt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Dat de vergewisplicht alleen dan intreedt volgt niet uit de rechtspraak van de Afdeling. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het BMA geen advies kan geven op basis van de nu beschikbare stukken. Voorzover het BMA inderdaad tot die conclusie komt, overweegt de rechtbank echter dat nergens uit blijkt dat dit de enige manier is om aan de vergewisplicht te voldoen. De beroepsgrond slaagt.
Is de overdracht in strijd met wat is bepaald in het arrest Tarakhel?
6. Eiser stelt dat hij, gezien zijn medische situatie, een kwetsbaar persoon is in de zin van het arrest Tarakhel (Voetnoot 7). Hij stelt dat verweerder daarom individuele garanties van Duitsland had moeten inwinnen.
6.1.
De rechtbank is – vanwege wat zij onder 5.1 heeft overwogen – van oordeel dat de medische situatie van eiser voldoende in kaart moet zijn gebracht om te kunnen beoordelen of verweerder individuele garanties van Duitsland had moeten inwinnen op grond van het arrest Tarakhel. De beroepsgrond slaagt.
Had verweerder gebruik moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid en de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening zelf in behandeling moeten nemen?
7. Eiser stelt dat overdracht naar Duitsland zou leiden tot onevenredige hardheid gezien zijn medische situatie. Verweerder had volgens hem gebruik moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening om de asielaanvraag naar zich toe te trekken.
7.1.
De rechtbank is op dit punt eveneens van oordeel dat de medische situatie van eiser voldoende in kaart moet zijn gebracht om te kunnen beoordelen of verweerder gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid. De beroepsgrond slaagt.
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken de tijd.
8.2.
Omdat in het beroep is beslist, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder deze vergoeding betalen aan de gemachtigde van eiser.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 april 2026;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.E.C. de Groot, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.