RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Zaaknummers: NL25.18148 en NL25.18149
uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1977, van Colombiaanse nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. C.E. van Diepen)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. F. Witteman).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiser tegen het besluit waarbij is vastgesteld dat zijn EU-verblijfsrecht op 28 maart 2022 is geëindigd. Ook beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
1.1.
De rechtbank en voorzieningenrechter (de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit genomen is in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond en de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Bij het besluit van 29 januari 2025 heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser op 28 maart 2022 is geëindigd. Eiser heeft op 20 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
2.1.
Verweerder heeft de besluiten van 26 maart en 1 april 2025 waarbij dit bezwaar niet- ontvankelijk is verklaard ingetrokken.
2.2.
Bij het besluit van 8 mei 2025 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Cavero als tolk in de Spaanse taal en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser is van 11 september 2018 tot 30 november 2020 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘Studie’. Op 5 oktober 2020 heeft eiser een aanvraag ingediend voor wijziging van de verblijfsvergunning naar het verblijfsdoel ‘Zoekjaar hoogopgeleiden’. Deze aanvraag is ingewilligd en de verblijfsvergunning was geldig van 5 oktober 2020 tot 5 oktober 2021.
3.1.
Eiser heeft op 30 augustus 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER als familielid van een Unieburger. Eiser heeft namelijk in 2015 in Bogota een relatie gekregen met een Italiaanse vrouw, waarmee hij in het najaar van 2018 naar Nederland is verhuisd. Eiser heeft toen eerst enige tijd in Rotterdam gewoond, terwijl zijn vriendin in Amsterdam ging wonen. Na het vinden van een geschikte gezamenlijke woning, zijn zij op 4 februari 2019 gaan samenwonen. Vanaf die datum hebben zij op verschillende adressen samengewoond. Eiser is sinds 10 december 2021 in het bezit van een verblijfsdocument EU/EER als familielid van een Unieburger.
3.2.
Eiser heeft in april 2022 gemeld dat de relatie met zijn Italiaanse vriendin is verbroken. Uit de Basisregistratie personen blijkt daarnaast dat eiser niet meer samenwoont sinds 28 maart 2022.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser na verbreking van de relatie geen aanspraak kan maken op behoud van zijn verblijfsrecht op grond van artikel 8.15, vierde en vijfde lid, van het Vb (Voetnoot 1), omdat hij volgens verweerder niet voldoet aan de voorwaarden van ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ als ‘werknemer of zelfstandige’. Noch beschikt eiser over toereikende bestaansmiddelen. Daarnaast levert de beëindiging van het verblijfsrecht volgens verweerder geen strijd op met artikel 8 van het EVRM (Voetnoot 2).
5. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat er ten onrechte is afgezien van het horen in bezwaar. Juist gelet op de complexiteit van de zaak en de ingrijpende gevolgen van het besluit voor zijn persoonlijke leven, was er alle aanleiding om hem in de gelegenheid te stellen zijn standpunt mondeling toe te lichten.
5.1.
Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb (Voetnoot 3) kan verweerder van het horen afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand in redelijkheid geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Volgens de Afdeling (Voetnoot 4) moet er terughoudend omgegaan worden met deze uitzondering op de hoorplicht. Het uitgangspunt is dat iemand gehoord wordt in bezwaar. (Voetnoot 5)
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser in bezwaar. Verweerder heeft in het bestreden besluit opgemerkt dat afgezien kon worden van het horen, onder andere omdat eiser in bezwaar onvoldoende inspanning heeft verricht om stukken over te leggen waaruit blijkt dat zijn kosten voor levensonderhoud laag zijn of dat hij voldoet aan de 40-50 regel. (Voetnoot 6) De rechtbank merkt echter op dat eiser bij de zienswijze, bij de aanvullende zienswijze en in bezwaar een vrij uitgebreide toelichting heeft gegeven op zijn financiële situatie en uitgaven. Hij heeft bijvoorbeeld zijn belastingaangiftes en huurcontracten overgelegd. Ook heeft eiser stukken opgestuurd waaruit blijkt dat hij financieel wordt ondersteund door zijn moeder en zijn zus. Tevens heeft eiser het KvK (Voetnoot 7)-uittreksel van zijn eigen bedrijf genaamd ‘[bedrijf]’ overgelegd, evenals twee arbeidsovereenkomsten ter onderbouwing van zijn arbeid in loondienst. Ook heeft hij een lijst overgelegd met opdrachten die hij heeft uitgevoerd, samen met verklaringen van de kunstenaars met wie hij heeft samengewerkt. Gezien de stukken die eiser in bezwaar heeft overgelegd is de rechtbank het met eiser eens dat als er bij verweerder onduidelijkheden bestonden over zijn inkomsten en uitgavenpatroon, het op de weg van verweerder had gelegen om hier nadere vragen over te stellen tijdens een hoorzitting.
5.3.
Daarbij overweegt de rechtbank, zoals eiser naar voren heeft gebracht, dat de complexiteit van het besluit tevens maakt dat verweerder niet had kunnen afzien van zijn hoorplicht. Het gaat hier om een belastend besluit met verstrekkende gevolgen voor eiser. In dit soort zaken kan de beslissing niet enkel gebaseerd worden op de toepassing van geschreven regels, maar spelen persoonlijke omstandigheden ook een grote rol. In dit licht dient verweerder dan ook op een zorgvuldige wijze te onderzoeken wat de persoonlijke omstandigheden zijn.
Behoud van verblijfsrecht na het beëindigen van de relatie
6. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat hij na de verbreking van zijn relatie geen aanspraak kan maken op behoud van zijn verblijfsrecht op grond van artikel 8.15, vierde en vijfde lid, van het Vb.
6.1.
Artikel 13, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn (Voetnoot 8), geïmplementeerd in artikel 8.15, vijfde lid, van het Vb, bevat de voorwaarden waaronder een beëindiging van een relatie tussen een Unieburger en een familielid dat niet de nationaliteit heeft van een lidstaat, niet tot verlies van het verblijfsrecht van dat familielid leidt. In deze bepaling staat:
"Alvorens het duurzame verblijfsrecht te verwerven, blijft hun recht van verblijf onderworpen aan de voorwaarde dat is aangetoond dat zij werknemer of zelfstandige zijn, of voor zichzelf en hun familieleden over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de sociale bijstandsregeling van het gastland, dat zij een ziektekostenverzekering voor alle risico's in het gastland hebben afgesloten, of dat zij lid zijn van de reeds in het gastland gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet."
Om het verblijfsrecht te behouden na het beëindigen van een relatie met een Unieburger, moet het familielid dus ofwel een ‘werknemer of zelfstandige’ zijn, ofwel beschikken over ‘toereikende bestaansmiddelen’. Voor ‘werknemers of zelfstandigen’ geldt dat de economische activiteit ‘reëel en daadwerkelijk’ moet zijn.
Reële en daadwerkelijke arbeid
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan het vereiste van ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ als zelfstandige.
6.2.1.
Volgens paragraaf B10/2.2 van de Vc (Voetnoot 9) is er in ieder geval sprake van ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ als de inkomsten van iemand meer dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm bedragen of als iemand ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt. Zoals eiser echter terecht heeft aangedragen, en zoals overigens ook is beaamd door verweerder in het bestreden besluit, mag de beoordeling of sprake is van ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ niet beperkt blijven tot het nagaan of het inkomen voldoet aan de norm van 50% van de toepasselijke bijstandsnorm. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt juist dat het criterium van ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ een kwalitatieve beoordeling is die ziet op de aard en omvang van de werkzaamheden zelf, en niet primair op de hoogte van de daarmee gegenereerde inkomsten. (Voetnoot 10)
6.2.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder zich bij de beoordeling of er sprake is van ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ in essentie echter wel beperkt heeft tot het nagaan of het inkomen van eiser voldoet aan de norm van 50% van de toepasselijke bijstandsnorm. Verweerder heeft op grond van gegevens uit Suwinet en de overgelegde aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting geconcludeerd dat niet aan deze norm wordt voldaan en dat reeds daarom geen sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid. Daarbij is verweerder niet inhoudelijk ingegaan op het standpunt van eiser dat hij wel degelijk meer dan 40% van de relevante periode als zelfstandige werkzaam was. Verweerder heeft hierover in het besluit op bezwaar enkel gesteld dat eiser niet onderbouwd heeft dat hij inkomsten genereert uit arbeid als zelfstandige. Eiser heeft in de aanvullende zienswijze echter een lijst overgelegd van zijn betaalde samenwerking met andere kunstenaars en opdrachten in de periode van april 2022 tot november 2024. In aanvulling daarop heeft eiser ook verklaringen overgelegd van kunstenaars met wie hij heeft samengewerkt en een overzicht van de inkomsten uit zijn opdrachten. Eiser heeft toegelicht dat het werk van een kunstenaar niet met een prikklok wordt geregistreerd en dat er veel uren zitten in onderzoek en experimenteren. Hij schetst het verloop van zijn werk, vanaf de onderzoeksfase tot aan de productie en de administratieve afhandeling. De overgelegde verklaringen van collega’s ondersteunen eisers standpunt dat geen registratie wordt bijgehouden van de tijd die wordt besteed aan essentieel onderzoek, voorbereiding en bespreking van het werk. De rechtbank acht dit standpunt aannemelijk en voldoende onderbouwd. Verweerder dient dit bij de beoordeling van de feitelijke aard en omvang van de werkzaamheden van eiser als zelfstandig kunstenaar te betrekken.
Voldoende middelen van bestaan
6.3.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet over ‘toereikende bestaansmiddelen’ beschikt.
6.3.1.
In artikel 8.15, zesde lid, van het Vb jo. artikel 3.74 van het Vb wordt aangegeven dat iemand in ieder geval over voldoende bestaansmiddelen beschikt met een inkomen ter hoogte van het minimumloon. Eiser heeft terecht naar voren gebracht dat uit artikel 13, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn volgt dat het bij de vraag of iemand voldoende middelen van bestaan heeft er in de kern om gaat of iemand niet ten laste zal komen van de ‘sociale bijstandsregeling van het gastland’. Volgens artikel 8, vierde lid, van de Verblijfsrichtlijn mogen lidstaten niet het bedrag van bestaansmiddelen vaststellen dat zij als toereikend beschouwen, maar moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden.
6.3.2.
Verweerder lijkt echter bij de vraag of eiser over ‘toereikende bestaansmiddelen’ beschikt in de zin van de Verblijfsrichtlijn het minimumloon wel als ondergrens gehanteerd te hebben. Verweerder stelt in het besluit op bezwaar dat ‘vereist is dat de beschikbare middelen ten minste gelijk zijn aan het minimumloon’ en dat hier bij eiser geen sprake van is. (Voetnoot 11) Daarbij heeft verweerder genoemd dat eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de vaste lasten en andere uitgaven substantieel lager liggen dan gemiddeld, waardoor eiser niet zou hoeven voldoen aan het normbedrag. Eiser heeft echter zonder een beroep op bijstand in zijn eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Daarbij heeft eiser zijn stelling dat hij heeft kunnen rondkomen vanwege lage levensonderhoudskosten wel onderbouwd met bewijsstukken zoals huurcontracten en met overzichten van zijn dagelijkse uitgaves. Eiser heeft ook met stukken onderbouwd dat hij ieder jaar geld ontvangt van zijn moeder en zijn zus.
Conclusie en gevolgen
7. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en daarmee in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Zoals hierboven uiteengezet is, volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat afgezien kon worden van het horen van eiser niet. Daarbij heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet voldoet aan de voorwaarden om zijn EU-Verblijfsrecht te behouden nadat zijn relatie met een Unieburger is geëindigd. Het beroep is om die redenen gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
8. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt een termijn van acht weken voor het nieuw te nemen besluit. Omdat de rechtbank nu beslist over het beroep van eiser en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder de proceskosten aan eiser vergoeden. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift en een verzoekschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802. Daarnaast moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht ter hoogte van € 388,- vergoeden.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.