Overwegingen
Overwegingen
2. Eiser heeft de Russische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2004. Op 14 juli 2026 heeft hij aan de buitengrens van de Unie een asielaanvraag ingediend.
3. Eiser heeft zijn land van herkomst verlaten, heeft diverse vluchten via verschillende landen genomen en is uiteindelijk op 13 juli 2026 op Schiphol Airport geland met een vlucht vanuit Marokko. Hij heeft bij de Koninklijke Marechaussee een authentiek Russisch paspoort getoond en aangegeven dat hij in Nederland een asielaanvraag wil indienen. Omdat eisers paspoort niet was voorzien van een geldig visum en hij niet beschikte over voldoende middelen van bestaan, is de toegangsverlening tot het Nederlands grondgebied uitgesteld. In de avond van 13 juli 2026 heeft eiser een aanwijzing gekregen om zich tot 14 juli 2026 om 07.00 uur op te houden in de internationale lounge op de luchthaven. Vervolgens is op 14 juli 2026 aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel (de grensdetentie) opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Op 17 juli 2026 is eiser in het kader van zijn asielprocedure gehoord, op 22 juli 2026 is de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven, is aan hem toegang tot het Nederlands grondgebied verleend en is de asielaanvraag van eiser ingewilligd.
4. Eiser is het niet eens met de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel en heeft hiertoe aangevoerd dat hij direct bij aankomst op Schiphol Airport asiel heeft aangevraagd met als reden dat hij behoort tot de LHBTI-gemeenschap en dat hij daarom gevaar loopt in Rusland. Tevens was hij in het bezit van zijn authentieke paspoort. Volgens eiser heeft de minister nagelaten om zorgvuldig te onderzoeken of er noodzaak was om aan eiser de toegang tot Nederland te weigeren en om hem in grensdetentie te stellen. De minister was, gelet op artikel 42, eerste lid, van de Procedureverordening niet (Unierechtelijk) verplicht om de toegang te weigeren en grensdetentie op te leggen. De minister heeft onvoldoende onderzocht of met een lichter middel kon worden volstaan. Op 16 juli 2026 is eiser gescreend in het Justitieel Complex Schiphol en hierbij heeft hij direct een groot aantal stukken en verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat hij in Rusland grote problemen heeft ondervonden wegens zijn geaardheid. Op dat moment had al ingezien kunnen worden dat de asielaanvraag van eiser zich niet leende voor de grensprocedure. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026 (Voetnoot 1) stelt eiser zich op het standpunt dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of de grensdetentie redelijk was.
5. De rechtbank heeft het beroep van eiser op zitting behandeld. Omdat de grensdetentie van eiser inmiddels was opgeheven en aan hem een verblijfsvergunning asiel was verleend, hebben eiser en zijn gemachtigde zich afgemeld voor de zitting. Met de gemachtigde van de minister zijn ter zitting de beroepsgronden besproken. De rechtbank heeft ter zitting te kennen gegeven aanvullende vragen aan verweerder te willen stellen en heeft de minister hiervoor een termijn verleend. Middels een bericht in het digitale dossier heeft de rechtbank de volgende vragen gesteld:
1) Beschouwt verweerder de periode waarin gescreend wordt als vrijheidsontneming, dan wel vrijheidsbeperking? Kunt U dit antwoord motiveren?
2) In welke locatie vindt de screening plaats? Kunt U beschrijven hoe deze locatie er feitelijk uitziet?
3) Wordt bij de screening op kwetsbaarheid en het onderzoek naar bijzondere opvangbehoeften ook het asielmotief en het land van herkomst betrokken? Zo nee, waarom niet?
4) Wordt bij de screening beoordeeld of een asielaanvraag mogelijk buiten behandeling wordt gesteld, niet-ontvankelijk wordt verklaard of wordt afgewezen als kennelijk ongegrond? Zo nee, waarom niet?
5) Wordt bij de beoordeling of volstaan kan worden met een lichter middel betrokken wat het asielmotief van de derdelander is? Zo nee, waarom niet?
6) Wordt bij de motivering van het afzien van een lichter middel uitsluitend de tekstblokken die 'aangevinkt' kunnen worden betrokken of is er een mogelijkheid om een vrije motivering die toegespitst is op de persoon van de derdelander te geven?
7) Is het absoluut onmogelijk om een lichter middel op te leggen zonder het
grensbewakingsbelang op te geven? Zo ja, waarom?
8) Eiser stelt dat hij gedurende de tenuitvoerlegging van de maatregel 1 uur per dag mocht luchten. Is dit juist en betekent dit dat eiser 23 uur per etmaal 'achter de deur' heeft moeten verblijven? Zo ja, wat is hier de reden van? Hoe ziet de dagindeling van asielzoekers wiens asielaanvraag in de grensprocedure wordt behandeld er doorgaans uit op DTC Schiphol?
6. Verweerder heeft schriftelijk antwoord gegeven op de vragen. Eiser heeft ook aanvullend gereageerd. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
7. De rechtbank is bekend met de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026 (Voetnoot 2), waarin de rechtbank een onrechtmatigheid constateert in de wijze waarop de minister de toetsing van aan de buitengrens ingediende asielverzoeken vormgeeft. Volgens zittingsplaats Amsterdam trekt de minister een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft ten aanzien van mensen die aan de buitengrens een asielwens kenbaar maken. Ten tweede legt de minister een niet door het Unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang enerzijds en het opleggen van grensdetentie anderzijds. Ten derde, daarmee verbonden, sluit de minister ten onrechte categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit. Tot slot betrekt de minister ten onrechte standaard niet alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn oordeel of het evenredig is om grensdetentie op te leggen.
8. Deze rechtbank onderschrijft de overwegingen van zittingsplaats Amsterdam in haar uitspraken van 17 juli 2026. Onderhavige zaak is een voorbeeld van een situatie waarin de behandeling van de asielaanvraag zich evident niet leent voor de grensprocedure, maar waarbij desondanks het indienen van een asielaanvraag aan de buitengrens van de Unie automatisch betekent dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Dit wordt ook erkend door de minister middels het antwoord op vraag 7. Volgens de minister kan in het kader van het grensbewakingsbelang niet worden voorzien in een alternatief voor grensdetentie en tegelijkertijd worden voorkomen dat de vreemdeling toegang krijgt tot het grondgebied van Nederland. Een minder dwingende maatregel heeft tot gevolg dat feitelijk verdere toegang tot Nederland wordt verkregen. De rechtbank concludeert hieruit dat het indienen van een asielaanvraag aan de buitengrens betekent ‘bewaring, tenzij’. Dit strookt naar het oordeel van de rechtbank niet met het uitgangspunt dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel een ultimum remedium is en druist daarmee in tegen artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Een vrijheidsontnemende maatregel mag enkel en alleen worden opgelegd wanneer er geen andere mogelijkheid bestaat om het grensbewakingsbelang te behartigen en de maatregel proportioneel en evenredig is. Eiser was bij aankomst op Schiphol Airport in het bezit van een authentiek paspoort en heeft dit ook aan de Koninklijke Marechaussee getoond. Zoals eiser ook in zijn beroepsgronden heeft aangevoerd had de minister aan hem een meldplicht kunnen opleggen en hem in een AZC kunnen plaatsen, eventueel – zo suggereert de rechtbank – onder inname van zijn paspoort. Het grensbewakingsbelang kon in deze procedure op deze wijze namelijk voldoende worden gediend omdat de toelating vergezeld zou gaan van een effectieve wijze om eiser ‘te verwijderen’ in het geval de asielaanvraag zou worden afgewezen. De grenzen bewaken is noodzakelijk om te controleren wie binnenkomt, maar aan dat doel draagt bij dat degene die binnenkomt snel weer ‘naar buiten kan worden gebracht’. Het belang van grensbewaking betekent dus niet dat iedereen aan de buitengrens moet worden tegengehouden en moet worden onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is het automatisch opleggen van grensdetentie bij de behandeling van een asielaanvraag in de grensprocedure mede ingegeven door de omstandigheid dat bij de screening en bij de beslissing om de maatregel op te leggen, het asielmotief en het land van herkomst niet worden betrokken. De minister bevestigt dit in zijn antwoorden op de vragen 3 en 5. Het asielmotief van de vreemdeling wordt niet betrokken bij de beoordeling of volstaan kan worden met een lichter middel en het vaststellen van het asielmotief en de beoordeling daarvan vindt plaats in de asielprocedure. De rechtbank overweegt dat het in het specifieke geval van eiser evident is dat wanneer de asielmotieven waren betrokken bij de screening of bij de beoordeling of de maatregel moest worden opgelegd, direct duidelijk was geworden dat de asielaanvraag van eiser zich niet leende voor de grensprocedure. Zoals eiser terecht aanvoert heeft hij bij zijn asielaanvraag direct stukken overgelegd en verklaringen afgelegd en is zijn asielaanvraag binnen enkele dagen ingewilligd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder voor bepaalde landen een landgebonden beleid voert en dat bepaalde groepen zijn aangewezen als een risicoprofiel. Dit geldt ook in het specifieke geval van eiser. Hij komt uit Rusland en hij behoort tot de LHBTI-gemeenschap, welke specifieke groep als risicoprofiel is aangewezen. Verweerders standpunt ter zitting dat het niet de taak is van de Koninklijke Marechaussee om tijdens de screening de asielmotieven te toetsen op kwetsbaarheid en de geschiktheid voor afdoening in de grensprocedure, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat deze praktische belemmering niet mag betekenen dat vreemdelingen met een kansrijk asielrelaas, waarbij het asielmotief bovendien mogelijk kwetsbaarheden met zich meebrengt, zonder meer in detentie worden geplaatst. Indien tijdens de screening door de Koninklijke Marechaussee blijkt dat een vreemdeling uit een land komt waarvoor de minister landgebonden beleid voert en deze vreemdeling zijn asielrelaas direct staaft met documenten en verklaringen, dan dient de IND geconsulteerd te worden voor overleg over welke asielprocedure de geschikte procedure is in dat specifieke geval. Dit kan de Koninklijke Marechaussee doen op dezelfde wijze als bij andere bewaringsgehoren wanneer door de vreemdeling een vrees voor refoulement wordt geuit.
9.1.
De rechtbank is bekend met de jurisprudentie van de Afdeling waarin is geoordeeld dat de zogenoemde ‘pre-toets’ – waarmee als het ware door de procedure heen wordt gekeken – niet is toegestaan. De rechtbank verricht, gelet op de concrete feiten en omstandigheden, in deze procedure echter wel een ‘pre-toets’ en de uitkomst hiervan leidt tot de conclusie dat de grensdetentiemaatregel onrechtmatig is opgelegd. De grensdetentiemaatregel strekt er in deze procedure immers toe om de asielgrensprocedure te verzekeren en niet om de buitengrens te bewaken. Zoals hiervoor overwogen leent de asielaanvraag van eiser zich evident niet voor de behandeling in de asielgrensprocedure. De opgelegde maatregel kan daarmee niet strekken tot het gestelde doel van de maatregel en is reeds hierdoor onrechtmatig. De rechtbank merkt op dat deze beoordeling in wezen niet anders is dan het moeten beoordelen van zicht op uitzetting als een maatregel ter fine van uitzetting wordt opgelegd of als een maatregel ter fine van overdracht wordt opgelegd maar de overdracht moet worden verboden. Ook in die situaties kan met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel het doel van de maatregel, dat de grondslag van de maatregel vormt, niet worden bewerkstelligd, wat de maatregel reeds hierom onrechtmatig maakt. Het karakter van vrijheidsontneming verdraagt zich dan ook niet met het verbieden van een pre-toets in een procedure als de onderhavige. Dit zou namelijk betekenen dat iedere asielzoeker in bewaring kan worden gesteld, ook als er geen verplichting is om de grensprocedure toe te passen en ook als de grensprocedure onterecht - verplicht of onverplicht - wordt aangemerkt als de procedure om de asielaanvraag in te behandelen. In dat geval is de rechterlijke controle van de grensdetentiemaatregel niet effectief omdat de conclusie dat de grensprocedure niet is toegestaan pas kan worden getrokken nadat de asielzoeker enige tijd in detentie heeft moeten doorbrengen en het beroep tegen de beslissing op de asielaanvraag kan worden beoordeeld. Om een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen bieden, vereist de rechtmatigheidsbeoordeling van de in de onderhavige procedure opgelegde maatregel een eerdere beoordeling. Al het handelen van verweerder, en zeker als dit handelen vrijheidsontneming van een asielzoeker tot gevolg heeft, moet immers door de rechter kunnen worden gecontroleerd en in een zodanige fase van de procedure dat deze controle ook effectief is in die zin dat een onrechtmatige situatie onverwijld kan worden beëindigd door de rechter. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in ‘Werkinstructie WI 2026/3 Asielgrensprocedure’ is toegelicht dat ‘asielaanvragen die moeten worden ingewilligd niet in de asielgrensprocedure kunnen worden afgedaan’ en ‘er bij een inwilliging eerst een opheffing van de maatregel zal moeten plaatsvinden’ (Voetnoot 3). Weliswaar is niet ondenkbaar dat een asielaanvraag waarvan op voorhand wordt ingeschat dat deze zal worden afgedaan als niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond toch moet worden ingewilligd. Deze handelwijze om in wezen nagenoeg elke asielaanvraag die aan de buitengrens wordt ingediend in de asielgrensprocedure te behandelen en bij een inwilliging de maatregel direct voorafgaand aan de inwilliging op te heffen, omzeilt echter, naar het oordeel van de rechtbank, het uitgangspunt dat de asielgrensprocedure alleen voor enkele uitdrukkelijk benoemde afdoeningsmodaliteiten als adequaat is aangemerkt. Dit geldt temeer nu de uitzonderingen op toepassing op de asielgrensprocedure uitsluitend aan de orde zijn bij meer dan gemiddeld kwetsbare asielzoekers en de controle op deze kwetsbaarheden in zowel de screeningsfase als de fase waarin wordt onderzocht of de maatregel kan worden opgelegd te beperkt is.
9.2.
De rechtbank merk in dit verband tot slot op dat verweerder zich – achteraf - zal realiseren dat de beslissing om de asielaanvraag van eiser in de asielgrensprocedure te behandelen onjuist is gebleken gelet op de spoedige inwilliging van de aanvraag. Eiser heeft op 14 juli 2026 asiel aangevraagd, is op 17 juli 2026 en op 22 juli 2026 gehoord en op 22 juli 2026 is de aanvraag ingewilligd en is eiser erkend als vluchteling. De rechtbank overweegt dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd omdat geheel ten onrechte is beslist dat deze asielaanvraag in de asielgrensprocedure kon worden behandeld. De rechtbank acht het werkelijk onbegrijpelijk dat de enkele omstandigheid dat eiser niet in het bezit was van een visum - het ontbreken van middelen kan immers niet worden tegengeworpen aan asielzoekers - uiteindelijk, vanwege de wijze waarop verweerder vormgeeft aan de asielgrensprocedure, heeft geleid tot 8 dagen vrijheidsontneming van eiser, die inmiddels erkend is als vluchteling.
9.3.
De rechtbank zal dus in voorkomend geval beoordelen of de asielgrensprocedure terecht is aangemerkt om de asielaanvraag te behandelen en als dat in beginsel is toegestaan, zal de rechtbank daarnaast beoordelen of oplegging van de maatregel rechtmatig is. Het is evident in strijd met het Unierecht om aan een asielzoeker een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen uitsluitend vanwege de indiening van een verzoek om internationale bescherming. Dit betekent ook dat het standaardmatig in de asielgrensprocedure behandelen van asielaanvragen die aan de buitengrens worden ingediend, behoudens de resultaten van een te beperkt onderzoek naar de kwetsbaarheid, en het bij wijze van automatisme in grensdetentie nemen van iedere asielzoeker die aan de buitengrens een verzoek indient behoudens datzelfde te beperkte onderzoek naar de kwetsbaarheden, niet verenigbaar is met het Unierecht. De omstandigheid dat verweerder – gelet op de ligging van Schiphol Airport – geen mogelijkheden ziet om asielaanvragen in de grensprocedure te behandelen zonder deze vreemdelingen in grensdetentie te plaatsen, mag niet voor rekening van de vreemdelingen komen en mag niet tot standaardmatig opgelegde vrijheidsontnemende maatregelen leiden. Volgens de minister zouden deze vreemdelingen dan feitelijk toegang moeten krijgen tot het Nederlands grondgebied en daarmee zou het grensbewakingsbelang prijsgegeven worden. Naar het oordeel van de rechtbank – en daarmee onderschrijft zij de eerder genoemde uitspraken van zittingsplaats Amsterdam - trekt de minister hiermee een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft. Het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel moet een uitzondering zijn en geen regel. Zoals de rechtbank concludeert is het momenteel andersom voor vreemdelingen die een asielwens kenbaar maken aan de buitengrens en dit is onrechtmatig. Verweerder zal dus ofwel moeten gaan voorzien in mogelijkheden om een lichter middel te kunnen opleggen zonder tot toelating over te gaan, ofwel moeten afzien van het steevast en in nagenoeg elke procedure doorslaggevend belang hechten aan het grensbewakingsbelang. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat het grensbewakingsbelang aanzienlijk is en dat het in het belang van de Unie als geheel is dat deze grensbewaking gedegen plaatsvindt. Desondanks kan de zwaarwegendheid van het belang van grensbewaking niet een standaardmatige inbreuk op het grondrecht op vrijheid rechtvaardigen.
9.4
Omdat de oplegging van de maatregel reeds vanwege het voorgaande als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd, zal de rechtbank de overige rechtmatigheidsaspecten niet beoordelen en in deze procedure niet verder ingaan op de vragen die de rechtbank aan verweerder heeft gesteld en de daarop verkregen antwoorden.