Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. (Voetnoot 3) De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. (Voetnoot 4) Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. (Voetnoot 5) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 6)
4. Eiseres voert aan dat haar verblijfsrecht is ingetrokken bij besluit van 4 maart 2026. Dit besluit is aan haar uitgereikt op 10 juni 2026, waardoor de vertrektermijn van een maand eindigde op 11 juli 2026. Eiseres is op 11 juli 2026 strafrechtelijk staandegehouden waarna zij is overgedragen aan de AVIM. Eiseres is dan ook van mening dat zij op 11 juli 2026 nog rechtmatig verblijf had en dus nog zelfstandig binnen de gegunde vertrektermijn uit Nederland kon vertrekken. Doordat eiseres is gedetineerd, heeft zij niet de mogelijkheid gekregen om zelfstandig te vertrekken en kan de minister zich niet op het standpunt stellen dat zij geen gebruik heeft gemaakt dat de aan haar gegunde vertrektermijn.
5. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het rechtmatig verblijf van eiseres op 10 juli 2026 is beëindigd omdat de aan haar gegunde vertrektermijn op die dag was verlopen.
6. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat eiseres op 11 juli 2026 strafrechtelijk is staandegehouden als verdachte van overtreding van artikel 2:2/1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 (op een openbare plaats door uitdagend gedrag aanleiding geven tot ongeregeldheden). Uit vaste rechtspraak (Voetnoot 7) volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Nog afgezien van de vraag of de vertrektermijn op 10 juli 2026 of op 11 juli 2026 is geëindigd, was op 12 juli 2026 geen sprake meer van rechtmatig verblijf. Omdat eiseres op 12 juli 2026 om 10.00 uur vanuit het strafrechtelijk traject is overgedragen aan de AVIM, is pas vanaf dat moment sprake van in deze procedure te toetsen aanwending van vreemdelingrechtelijke bevoegdheden. En omdat op dat moment geen sprake meer was van rechtmatig verblijf, was het voor eiseres op dat moment ook niet meer mogelijk om zelfstandig binnen de gegunde vertrektermijn op eigen gelegenheid te vertrekken. Dat zij eerder, te weten op 11 juli 2026 na de strafrechtelijke aanhouding, in de macht van de Nederlandse overheid was, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Bekendmaking terugkeerbesluit
7. Eiseres stelt dat niet uit het dossier blijkt dat de inhoud van het besluit van 4 maart 2026 – en dus de vertrekplicht – in een voor haar begrijpelijke taal kenbaar is gemaakt, zodat zij niet aan de vertrekplicht kan worden gehouden.
8. De rechtbank volgt dit niet. Uit het uitreikingsblad van 10 juni 2026 blijkt dat het besluit van 4 maart 2026 op 10 juni 2026 aan eiseres in persoon te Utrecht is uitgereikt, waarbij de strekking van het besluit met de hulp van een tolk in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal is meegedeeld. Eiseres heeft op het uitreikingsblad zelf voor ontvangst van het besluit getekend. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiseres op de hoogte is geweest van de aan haar opgelegde vertrekplicht en -termijn. De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
9. De minister heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
9.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiseres:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
10. De rechtbank stelt vast dat eiseres alle gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd, heeft betwist. Eiseres voert ten aanzien van de grond onder 2b aan dat de vertrektermijn van een maand nog niet was geëindigd waardoor geen sprake is van bewuste overschrijding. Ten aanzien van de grond onder 2p voert eiseres aan dat zij wel degelijk een identiteitsdocument heeft. Dit document is echter op de luchthaven [luchthaven] door de minister ingenomen, waardoor dit eiseres niet valt aan te rekenen. Tot slot voert eiseres ten aanzien van de gronden onder 2r en 2s aan dat deze gronden misschien feitelijk juist zijn, maar dat niet per definitie een risico op onttrekking aan het toezicht aantonen.
11. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist, en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Zoals hierboven is overwogen was eiseres bekend met de gegunde vertrektermijn en uit het dossier blijkt niet dat zij hieraan gevolg heeft gegeven. Dat zij op 11 juli 2026 strafrechtelijk is aangehouden, waardoor zij naar haar zeggen niet kon voldoen aan die vertrekplicht, komt voor haar rekening. Niet in geschil is dat eiseres geen geldig identiteitsdocument kan overleggen. Eiseres heeft niet met documenten, zoals bijvoorbeeld een bewijs van inname, aannemelijk gemaakt dat haar document, zoals zij heeft verklaard, is ingenomen door de KMar op [luchthaven] . Niet gebleken is dat eiseres enige actie heeft ondernomen om haar document terug te krijgen, dan wel pogingen heeft ondernomen om een vervangend document te verkrijgen. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister de gronden onder 2p, 2r en 2s voldoende gemotiveerd heeft om een op grond daarvan een onderduikrisico aan te nemen. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen hierboven is overwogen over de vertrekplicht, en de verklaringen van eiseres tijdens het gehoor, voorafgaande aan de oplegging van de maatregel, dat zij in een opvang voor dak- en thuislozen verblijft, op straat leeft en geen antwoord heeft gegeven op vragen over inkomen en vermogen. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan haar uitzetting. Eiseres is op 12 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld en ter zitting heeft de minister verklaard dat op 20 juli 2026 een laissez-passer (lp) aanvraag aan het Spaanse consulaat is gezonden. De minister had volgens eiseres veel eerder na de inbewaringstelling kunnen beginnen met het lp-traject. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eerst een vertrekgesprek met eiseres moest worden gevoerd omdat zij niet in het bezit was van identificerende documenten.
13. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 12 juli 2026 in vreemdelingenbewaring is gesteld. Zij was niet in het bezit van een geldig identiteitsbewijs of een bewijs van inname van dit identiteitsbewijs. Vervolgens heeft de minister op 14 juli 2026 een vertrekgesprek met eiseres gevoerd, op diezelfde datum een lp-aanvraag opgesteld en deze op 20 juli 2026 aan het Spaanse consulaat gezonden. Uit deze handelingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging en lichter middel
14. Eiseres stelt zich op het standpunt dat een belangenafweging ervoor had moeten zorgen dat de minister had moeten volstaan met de oplegging van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Zij was enkel nog in Nederland vanwege de afronding van de medische procedure van haar partner.
15. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Allereerst blijkt uit de gronden van de maatregel en de motivering al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiseres geen geldig identiteitsdocument kan overleggen, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft maar op straat of in een opvang verblijft en dat niet is gebleken dat eiseres over voldoende middelen van bestaan beschikt. Verder heeft eiseres de medische situatie van haar partner, en haar verklaring dat daarvoor op 6 juli 2026 een ziekenhuisafspraak was gemaakt, niet met (medische) documenten onderbouwd. De enkele verklaring dat de partner nog medische zorg nodig heeft, is onvoldoende voor een ander oordeel. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres een maand de tijd heeft gehad om zelfstandig uit Nederland te vertrekken, maar hier heeft zij tot aan haar aanhouding op 11 juli 2026 geen gebruik van gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
16. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 8)