Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:21695

Op 20 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is AWB 26-9703, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21695. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
AWB 26-9703
Datum uitspraak:
20 July 2026
Datum publicatie:
4 August 2026

Indicatie

verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang, geen sprake van datum van uitzetting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 26/9703

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2026 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij verweerder. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft hierop schriftelijk gereageerd.

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege kan blijven. (Voetnoot 1)

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. (Voetnoot 2)

2. Indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid. (Voetnoot 3)

3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze laatste bevoegdheid gebruik te maken en overweegt daartoe als volgt.

4. Uit de stukken volgt dat verzoeker is geboren op [datum] 1969 en de Turkse nationaliteit bezit. Verweerder heeft in reactie op het verzoek om voorlopige voorziening toegelicht dat op 3 april 2025 tegen verzoeker een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. Verzoeker heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Bij het besluit van 10 juni 2026 tot afwijzing van verzoekers verblijfsaanvraag heeft verweerder niet bepaald dat verzoeker een bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten. Hieruit volgt dat op verzoeker op dit moment een vertrekplicht rust.

5. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat een voorlopige voorziening noodzakelijk is om zijn gedwongen verwijdering naar Turkije te voorkomen. Hij wijst in dat verband op het feit dat zijn paspoort in bewaring is genomen en dat hem is gevraagd om zich te melden bij de politie in verband met zijn vertrek uit Nederland. Daarbij is van hem gevraagd om een vliegticket te tonen waaruit zijn vertrek uit de Europese Unie blijkt. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter onder meer te bepalen dat hij zijn bezwaar in Nederland mag afwachten, dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden geschorst in afwachting van de beslissing op bezwaar en dat verweerder zich onthoudt van voorbereidings- en uitvoeringshandelingen die rechtstreeks op zijn verwijdering zijn gericht.

6. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het verzoek om voorlopige voorziening niet is gekoppeld aan een rechtsmiddel gericht tegen het terugkeerbesluit. Schorsing van de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit, in het bijzonder de daaruit volgende verplichting om zelfstandig te vertrekken, is daarom niet aan de orde in het kader van het huidige verzoek om voorlopige voorziening.

7. Verweerder heeft verder in zijn schriftelijke reactie op het verzoek laten weten dat op dit moment geen voornemen bestaat om verzoeker op korte termijn gedwongen uit te zetten. Er is geen concrete uitzettingsdatum. In het licht hiervan moet de aan verzoeker gerichte vordering om zich bij de vreemdelingenpolitie te melden en daarbij een vliegticket te tonen worden begrepen als onderzoekshandelingen die erop gericht zijn om vast te stellen of verzoeker alsnog uitvoering geeft aan de op hem rustende verplichting om zelfstandig te vertrekken. Ook uit de tijdelijke inname van verzoekers paspoort blijkt niet van een gedwongen verwijdering op korte termijn. Dat verzoeker gezien zijn vertrekplicht vreest om op termijn te worden uitgezet als hij niet vrijwillig vertrekt is begrijpelijk, maar daarmee is niet onderbouwd dat uitzetting daadwerkelijk aanstaande is.

8. De voorzieningenrechter volgt daarom verweerder in diens standpunt dat in zoverre geen sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Ook verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit de noodzaak van enige voorlopige maatregel blijkt.

9. Het verzoek zal daarom worden afgewezen als kennelijk ongegrond.

10. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 20 juli 2026 door mr. J.F.I Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid

om de uitspraak te ondertekenen

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Voetnoot 2

Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb

Voetnoot 3

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb