Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:21698

Op 31 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.19548, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21698. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.19548
Datum uitspraak:
31 July 2026
Datum publicatie:
4 August 2026

Indicatie

Beroepen niet tijdig, asiel, samenhangende zaken, ingebrekestellingen ingediend via ‘veilig mailen’, beroepen ontvankelijk en gegrond, eisers hebben internationale bescherming in Griekenland, geen reden om af te wijken van nieuwe beslistermijnen, beslistermijn van 8+4 weken, geen bestuurlijke dwangsom

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.19548 en NL26.19551

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1], met V-nummer: [V-nummer] ,

[eiser 2] , met V-nummer: [V-nummer] , hierna gezamenlijk: eisers,

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp), en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen).

De minister heeft op 12 mei 2026 met een verweerschrift op de beroepen gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1

Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk en gegrond?

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

3. De minister heeft de aanvragen op 10 september 2025 ontvangen. De beslistermijn is zes maanden.3 Binnen die termijn heeft de minister niet beslist op de aanvragen.

1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.

3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat gold vóór 12 juni 2026).

4. Eisers hebben ingebrekestellingen ingediend. De minister heeft de ontvangst daarvan bevestigd op 25 maart 2026. De minister heeft de ingebrekestellingen niet geweigerd.4 In de uitspraak van 13 februari 2026 heeft deze zittingsplaats van de rechtbank5 geoordeeld dat een elektronisch ingediende ingebrekestelling via “veilig mailen” rechtsgeldig is als de minister de ontvangst daarvan heeft bevestigd. Dit geldt ook als die ingebrekestelling niet via de door de minister voorgeschreven weg is ingediend. De minister kon de onderhavige ingebrekestellingen zonder nadere bewerking behandelen als ware die op de juiste wijze ingediend.6 Anders dan de minister stelt, is de rechtbank van oordeel dat de ingebrekestellingen geldig zijn en onderdeel uitmaken van het dossier. Het standpunt van de minister dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn, volgt de rechtbank dan ook niet.

5. Eisers hebben de minister op 23 maart 2026 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts hebben eisers meer dan twee weken na de ingebrekestellingen beroepen ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. De beroepen zijn daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

6. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7 In deze zaken is dit aan de orde.

7. De minister heeft in het verweerschrift aangegeven onderzoek te willen doen naar de status van eisers in Griekenland, omdat uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eisers in dat land internationale bescherming hebben. De minister vraagt de rechtbank daarom om bij het bepalen van een nadere beslistermijn rekening te houden met het feit dat de doorlooptijden bij zaken van Griekse statushouders relatief lang zijn. Dat komt volgens de minister onder meer door vertragingen met betrekking tot de vertaling van de Griekse dossiers door een tekort aan vertalers.

8. De rechtbank ziet in het betoog van de minister geen aanleiding om af te wijken van de lijn die zij heeft ingezet met haar uitspraken van 20 juli 2026.8 Daarbij overweegt de rechtbank dat de minister niet (bij benadering) heeft kunnen aangeven op welke termijn het onderzoek naar de status van eisers in Griekenland kan worden opgestart en wat derhalve in deze zaak een realistische beslistermijn zou zijn.

9. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers nog niet zijn gehoord over hun asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor over de asielmotieven van eisers moet afnemen en binnen vier weken daarna de besluiten op de aanvragen bekend moet maken.

4 Artikel 2:16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

5 ECLI:NL:RBDHA:2026:3820.

6 Artikel 2:16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

7 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.

8 ECLI:NL:RBDHA:2026:20129, ECLI:NL:RBDHA:2026:20130, ECLI:NL:RBDHA:2026:20133 en ECLI:NL:RBDHA:2026:20136.

De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak

10. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is

€ 15.000,-. Eén en ander is overeenkomstig de aanbeveling die in dit verband geldt.9 De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaken van deze aanbeveling af te wijken.

Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?

11. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.

12. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.10 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.

Conclusie en gevolgen

13. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen twaalf weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.

14. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen beroepschriften in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt

€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-en een wegingsfactor 0,5).

15. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn familie van elkaar en hun procedures lopen gelijktijdig op. Ook hebben zij dezelfde advocaat. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.11 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.12

9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.

10 Stb. 2025, 96.

11 Artikel 3 van het Bpb.

12 ECLI:NL:RVS:2020:1624.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;

draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een gehoor over de asielmotieven van eisers af te nemen en binnen vier weken nadien besluiten op de aanvragen bekend te maken, in ieder geval binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak;

bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-, toe te kennen in zaaknummer NL26.19548;

veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,-, toe te kennen in zaaknummer NL26.19548.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

31 juli 2026

Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.