Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:21816

Op 5 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.42049, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21816. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.42049
Datum uitspraak:
5 August 2026
Datum publicatie:
5 August 2026

Indicatie

Bewaring – vervolgberoep – zicht op uitzetting – ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.42049

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 30 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. (Voetnoot 1) Uit de uitspraak van 13 juli 2026 (in de zaak NL26.37345) (Voetnoot 2) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 13 juli 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 13 juli 2026.

4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Eiser werkt volledig mee en zijn identiteit is vanaf het begin van zijn procedure bekend. De Marokkaanse autoriteiten willen een origineel paspoort van eiser. Verweerder heeft dit volgens eiser recentelijk pas opgevraagd bij de Spaanse autoriteiten maar de Spaanse autoriteiten hebben in een eerder stadium al laten weten dit niet toe te zenden.

5. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen (Voetnoot 3) of in het bijzonder voor eiser is komen te ontbreken. Anders dan eiser aanvoert, volgt uit het voortgangsrapport dat op 14 juli 2026 door het politiebureau in Gandia (Spanje) groen licht is gegeven om eisers paspoort naar de Nederlandse ambassade te versturen en dat door verweerder een officieel verzoek is opgesteld dat kan worden gebruikt als basis voor het vrijgeven van het paspoort. Daarbij volgt uit het vertrekgesprek van 21 juli 2026 dat de Spaanse autoriteiten hebben toegezegd om eisers paspoort naar de Nederlandse ambassade in Madrid te vesturen. Verweerder heeft daarbij aan eiser meegedeeld dat zodra het paspoort is ontvangen deze naar Nederland wordt verstuurd en eisers vlucht geboekt kan worden.

6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:RBDHA:2026:15459 en ECLI:NL:RBDHA:2026:19390.

Voetnoot 2

ECLI:NL:RBDHA:2026:19390.

Voetnoot 3

Zie de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033 en van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.