Vreemdelingenrecht

Vrijheidsontnemende maatregel ogv artikel 6, derde lid, van de Vw. Geen gronden aangevoerd. Aangegeven zich…

Rechtbank Den Haag, 29 juli 2026

Zaakgegevens

Op 29 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
29 juli 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.42773
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21826
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijheidsontnemende maatregel ogv artikel 6, derde lid, van de Vw. Geen gronden aangevoerd. Aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.42773


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars,

en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen J. Allachi. Gemachtigde van eiser is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

3. De gemachtigde van eiser heeft bij schrijven van 3 augustus 2026 aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

3.1

De rechtbank stelt vast dat er door eiser geen gronden zijn aangevoerd tegen het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van

H.B. Slot - Akkerman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647, alsmede het arrest van 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243, ro 24 en 31.