Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:21910

Op 5 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.36838, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21910. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.36838
Datum uitspraak:
5 August 2026
Datum publicatie:
6 August 2026

Indicatie

Asiel, Georgië, geloofwaardigheid, causaal verband tussen homoseksuele gerichtheid en geweldsincidenten niet aannemelijk, zwaarwegendheid, discriminatie, Azeri, bescherming Georgische autoriteiten, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.36838

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P.M. Langereis),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met die afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de asielaanvraag terecht heeft afgewezen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

3. Eiser is geboren op [datum] 1994 en heeft de Georgische nationaliteit. Hij stelt dat hij tot de Azeri bevolkingsgroep behoort. Op 22 maart 2025 heeft hij zijn asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De rechtbank heeft het beroep in eerste instantie gepland voor behandeling in Breda op zitting op 28 januari 2026. Op die zitting zijn verschenen de gemachtigde van eiser en mr. K.A.W. Boonen als gemachtigde van verweerder. Omdat het eiser niet lukte om op die dag op tijd in persoon op de rechtbank te verschijnen, heeft de rechtbank in overleg met partijen het onderzoek ter zitting geschorst, waarna zij een nieuwe zittingsdatum heeft bepaald. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is universitair geschoold en heeft vanaf zijn elf- of twaalfjarige leeftijd in de mode-industrie gewerkt. Eiser is homoseksueel. In 2017 heeft hij problemen gekregen met een man ( [persoon] ) over een geldbedrag van 1.000 USD. Deze man heeft aangifte gedaan bij de politie van diefstal van het geldbedrag. De politie heeft eiser meegenomen en heeft hem urenlang mishandeld, ook omdat [persoon] de politie had verteld dat eiser gay is. Eiser heeft ook twee jaar huisarrest gekregen, ondanks zijn onschuld. In juni 2024 is eiser op straat mishandeld door onbekende aanvallers. Aanleiding daarvoor was een video die was verspreid met intieme beelden van eiser en een andere man. Eiser is bij die mishandeling met een mes in zijn been gestoken. Daarbij werd hij voor ‘pidaras’ uitgemaakt, wat een Russisch scheldwoord is voor homo. Daarna heeft hij Georgië verlaten. Eiser heeft ook verklaard dat hij in Georgië is gediscrimineerd vanwege zijn etnische afkomst. Hij vreest dat hij bij terugkeer in Georgië wordt vermoord vanwege zijn seksuele gerichtheid. Hij vreest voor zijn eigen familie, de autoriteiten en de Georgische bevolking.

Het bestreden besluit

7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

? identiteit, nationaliteit en herkomst,

? homoseksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen,

? discriminatie vanwege Azeri-etniciteit.

8. Verweerder heeft de asielmotieven grotendeels geloofwaardig geacht. De gestelde homoseksuele gerichtheid vindt verweerder geloofwaardig, en verweerder volgt ook dat eiser persoonlijke problemen heeft ondervonden in Georgië. Het causale verband tussen de homoseksuele gerichtheid en de ondervonden problemen heeft eiser echter volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt. Verweerder vindt verder de ondervonden problemen en discriminatie niet zwaarwegend genoeg om op grond daarvan een verblijfsvergunning asiel aan eiser te verlenen. Verweerder concludeert daarom dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer naar Georgië geen reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. (Voetnoot 1)

Zorgvuldigheid

9. De rechtbank beoordeelt eerst of het bestreden besluit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Eiser vindt van niet. Hij vindt dat hij te weinig tijd heeft gehad om een zienswijze tegen het voornemen in te dienen en dat hij niet op zorgvuldige wijze is gehoord over zijn asielmotieven. De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet en overweegt daartoe het volgende.

10. Eiser is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Van die gelegenheid heeft hij ook gebruik gemaakt. Niet in geschil dat voor het indienen van een zienswijze in dit geval een termijn gold van één werkdag. In geschil is wanneer die termijn is aangevangen en of de laatste dag waarop de zienswijze kon worden ingediend 31 juli 2025 was of 1 augustus 2025. Eiser heeft echter tijdig op 31 juli 2025 een uitvoerig gemotiveerde zienswijze ingediend en verweerder heeft die betrokken in het bestreden besluit. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij nog meer tijd nodig had voor het indienen van zijn zienswijze. Eiser heeft in de inleiding van zijn zienswijze weliswaar opgemerkt dat hij door de (ver)korte termijn niet volledig in de gelegenheid is om zijn zienswijze naar voren te brengen, maar heeft ook niet verzocht om een aanvullende termijn. Ter zitting is ook niet gebleken dat eiser nog meer had willen inbrengen dan hij in zijn zienswijze heeft gedaan.

11. Eiser is op 28 juli 2025 gehoord over zijn asielmotieven. Eiser stelt dat hij onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om over zijn asielrelaas te verklaren. Hij stelt dat hij meermaals is onderbroken en dat er onvoldoende is doorgevraagd. De rechtbank is van oordeel dat het rapport nader gehoor blijk geeft van een zorgvuldige wijze van horen overeenkomstig de werkwijze zoals die is voorgeschreven in verweerders werkinstructies. Uit het rapport blijkt dat de hoormedewerker meermaals heeft benoemd dat eiser de neiging heeft om uit te weiden, en eiser heeft verzocht om zich te beperken tot het beantwoorden van de vragen. Ter zitting is toegelicht dat de hoormedewerker het gesprek daarmee vooral heeft willen stroomlijnen, dat de hoormedewerker eiser het woord niet willen ontnemen maar dat hij/zij het gesprek alleen heeft willen inkaderen naar relevantie. Dat maakt de wijze van horen niet onzorgvuldig. Uit het rapport blijkt verder dat de hoormedewerker goed heeft doorgevraagd op de onderwerpen die de kern van het asielrelaas raken. Dat de hoormedewerker niet heeft doorgevraagd over bijvoorbeeld eisers deelname aan protesten in Georgië, acht de rechtbank niet onzorgvuldig, aangezien eiser heeft verklaard dat hij daardoor zelf geen problemen heeft ervaren. (Voetnoot 2) Hij heeft zijn deelname aan protesten ook niet genoemd in antwoord op de vraag wat de directe redenen waren om Georgië te verlaten. Eiser heeft als redenen genoemd: de mishandeling en de messteek. (Voetnoot 3) Deze incidenten heeft verweerder terecht als asielmotief benoemd en op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid beoordeeld.

12. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt niet.

Geloofwaardigheid

13. Verweerder heeft de gestelde mishandelingen in 2017 en 2024 geloofwaardig geacht, maar niet het gestelde causale verband tussen de incidenten en de homoseksuele gerichtheid van eiser. Verweerder heeft zijn standpunt voldoende gemotiveerd en daarom volgt de rechtbank verweerder. Het incident in 2017 had te maken met een conflict over een geldbedrag. Dat [persoon] de politie zou hebben ingelicht over de homoseksuele gerichtheid en dat eiser daarom zou zijn mishandeld, heeft verweerder terecht gekwalificeerd als een niet onderbouwd vermoeden. In de gestelde omstandigheid dat eiser tijdens de mishandeling is uitgescholden voor homo, heeft verweerder terecht onvoldoende onderbouwing gezien voor het aannemen van een causaal verband tussen het incident en de homoseksuele gerichtheid.

14. Ook voor het incident in 2024 geldt dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser het gestelde causale verband tussen het incident en de homoseksuele gerichtheid niet heeft onderbouwd. Een foto van het litteken dat eiser stelt te hebben overhouden aan de mesaanval zegt niets over de omstandigheden waaronder de aanval heeft plaatsgehad. Ook de verklaring van eiser dat hij tijdens de mishandeling is uitgescholden voor homo en zijn veronderstelling dat de daders een over eiser verspreide pornografische video zouden hebben gezien, zijn niet ondersteund met enige onderbouwing.

15. Verweerder heeft op basis daarvan terecht geconcludeerd dat eiser het causaal verband tussen de mishandelingen in 2017 en 2024 en zijn homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt.

Zwaarwegendheid

16. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de geloofwaardig geachte geweldsincidenten en de door eiser ondervonden discriminatie vanwege zijn Azeri-etniciteit er niet toe leiden dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Georgië. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser in Georgië op normale wijze heeft kunnen deelnemen aan de maatschappij: hij heeft kunnen studeren, wonen en werken en hij heeft identificerende documenten kunnen verkrijgen. Verweerder heeft daarbij ook terecht meegewogen dat eiser in de zeven jaren tussen de twee geweldsincidenten blijkbaar geen noodzaak heeft gezien om Georgië te verlaten.

17. Verweerder heeft terecht gewezen op de mogelijkheid voor eiser om bij eventuele discriminatie vanwege seksuele gerichtheid of etniciteit de bescherming van de Georgische (hogere) autoriteiten in te roepen. De vrees van eiser dat hij niet op bescherming van de autoriteiten kan rekenen, wordt niet ondersteund door de landeninformatie. Eiser heeft terecht erop gewezen dat LHBTIQ+ in het landgebonden beleid van verweerder voor Georgië als risicogroep zijn aangemerkt, maar dat wil nog niet zeggen dat zij helemaal niet op politiebescherming kunnen rekenen. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat dit voor hem wel zal gelden. Anderzijds heeft verweerder met zijn verwijzing naar algemene landeninformatie voldoende onderbouwd dat Georgische autoriteiten adequate bescherming kunnen bieden en dat in de praktijk ook daadwerkelijk doen. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

18. Eiser heeft nog fragmenten van een chatgesprek met een gestelde voormalige vriend overgelegd, waarin volgens hem het dreigement is geuit om zijn seksuele geaardheid te openbaren. Ook hiermee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in Georgië een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft namelijk zelf ter zitting toegelicht dat dit voorval heeft plaatsgevonden in het azc (Voetnoot 4) in Budel. Nog los van het feit dat het chatgesprek geen inzicht geeft in de context waarin dit gesprek is gevoerd, zegt het dreigement ook niets over mogelijke risico’s die eiser loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst.

Conclusie en gevolgen

19. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

20. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

Uitspraak bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoot

Voetnoot 1

Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 2

Rapport nader gehoor, pagina 7 onderaan.

Voetnoot 3

Zie rapport nader gehoor, pagina 7.

Voetnoot 4

asielzoekerscentrum.