Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:21928

Op 8 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.20694, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21928. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.20694
Datum uitspraak:
8 July 2026
Datum publicatie:
6 August 2026

Indicatie

Trefwoorden: ongegrond, nieuwe rapport, geen novum,

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20694

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Oukil),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr S. Berg).

Inleiding

1. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Egyptische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1970. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL26.20695). De minister heeft een verweerschrift ingediend.

3. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Lel Mathari als tolk en de gemachtigde van de minister.

4. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

5. Op 29 november 2012 heeft eiser een (eerste) asielaanvraag in Nederland ingediend die bij besluit van de minister van 18 april 2013 is afgewezen. Deze afwijzing staat in rechte vast. Eiser heeft op 21 juni 2019 opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 juli 2021 afgewezen. Dat besluit staat ook in rechte vast. Eiser heeft op 29 november 2022 opnieuw een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft die aanvraag bij besluit van 27 juni 2024 afgewezen. Ook dat besluit staat in rechte vast.

6. Op 28 januari 2026 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. In het bestreden besluit heeft de minister die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De minister heeft dit gedaan onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van 27 juni 2024 en heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Standpunt van de minister

7. Eiser heeft bij de aanvraag een rapport van de heer [naam] overgelegd. De minister vindt het rapport een nieuw element, maar de minister vindt het geen relevant nieuw element. Het overgelegde document is geen aanleiding om de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiser opnieuw te beoordelen omdat het niet gaat om een objectief document. Het document bevat wel landeninformatie, maar die is samengevoegd met een expert opinion gebaseerd op de bevindingen van de deskundige zelf. Het document is geen objectieve, openbare bron is die de verklaringen van eiser kan bevestigen. Het rapport is op verzoek van eiser opgesteld en noemt bronnen die niet geverifieerd kunnen worden. De heer [naam] gaat in het rapport verder ten onrechte uit van de juistheid van de verklaringen van eiser over problemen met de Moslim Broederschap, nu in rechte vast staat dat deze gestelde problemen ongeloofwaardig zijn te achten. Het overgelegde rapport is daarom niet relevant voor de beoordeling van de herhaalde asielaanvraag van eiser en de aanvraag is daarmee niet-ontvankelijk.

Standpunt eiser

8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte het rapport van de heer [naam] niet een nieuw, relevant element heeft gevonden. Het rapport bevat informatie die niet eerder is ingediend en die relevant is voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. Het betreft landeninformatie die is toegespitst op de situatie van eiser, samen met een expert opinion. De minister is in de bestreden besluitvorming inhoudelijk ingegaan op het asielrelaas van eiser en is daarmee de stap van de ontvankelijkheid voorbij gegaan. De minister had eiser daarom ook moeten horen in bezwaar.

Beoordelingskader

9. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, kan de minister een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaren als de aanvrager geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd aan deze aanvraag, of als de nieuwe elementen en bevindingen niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Nieuwe elementen en bevindingen zijn relevant voor de beoordeling van de opvolgende aanvraag als deze de kans op inwilliging van de asielaanvraag aanzienlijk groter maken. (Voetnoot 1) De minister heeft dit nader uitgewerkt in de Werkinstructie (WI) 2023/7.

10. Om te beoordelen of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag vindt volgens WI 2023/7 een onderzoek plaats in twee fasen. De minister toetst in de eerste fase of er sprake is van een nieuw element of een nieuwe bevinding. Vervolgens toetst de minister in fase twee of het nieuwe element/de nieuwe bevinding relevant kan zijn in die zin dat het de kans op inwilliging van de asielaanvraag aanzienlijk groter maakt. De minister kan bij die toets, voor zover hier van belang, betrekken:

de redenen voor de eerdere afwijzing(en) van de asielaanvragen;

de situatie (van een bepaalde groep) in het land van herkomst van de vreemdeling en het landenbeleid.

de aard en inhoud van een document en de afgevende instantie/persoon;

de wijze waarop de vreemdeling een document heeft verkregen;

of er (goede) redenen zijn om te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid van de in een document vermelde gegevens.

Het oordeel van de rechtbank

11. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het door eiser overgelegde rapport een nieuw element is.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het door eiser overgelegde rapport op goede gronden niet als een relevant nieuw element aangemerkt. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat het rapport geen objectieve informatie inhoudt die de kans op inwilliging van de asielaanvraag groter maakt. De beoordeling door de minister heeft plaatsgevonden overeenkomstig WI 2023/7 en de minister mocht daarbij de eerdere afwijzingen van de asielaanvragen betrekken. De minister mocht daarbij ook betrekken dat de door de opsteller van het rapport gegeven beschrijving van de situatie in Egypte en de positie van Kopten in dat land geen bevestiging vindt in de beschikbare landeninformatie en het landenbeleid van de minister. Niet ten onrechte stelt de minister verder vast dat de opsteller kennelijk ook is uitgegaan van informele bronnen die niet kunnen worden geverifieerd. Daarnaast heeft de minister redelijkerwijs mogen twijfelen aan de inhoudelijke juistheid van het rapport omdat de opsteller (volledig) is uitgegaan van het asielrelaas van eiser, terwijl dat in de eerdere rechterlijke uitspraken ongeloofwaardig is bevonden. Omdat geen sprake is van nieuwe relevante elementen of bevindingen mocht de minister de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk verklaren en ook afzien van het opnieuw horen van eiser. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Bootsma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 8 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:RVS:2022:2699.