Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:21944

Op 4 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.3965, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21944. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.3965
Datum uitspraak:
4 February 2026
Datum publicatie:
6 August 2026

Indicatie

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3965

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Hopman).

Procesverloop

Procesverloop

De minister heeft op 29 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Bengalese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1992.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 december 2025 (in de zaak NL25.61483) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de

rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert aan dat er zicht op uitzetting ontbreekt en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. In de uitspraak van 24 december 2025 van de rechtbank is geoordeeld dat de nieuwe laissez passer (hierna: lp) aanvraag mag worden afgewacht. Daarvoor was bepalend dat het negatieve antwoord op de vorige

lp-aanvraag uit 2017 dateert, en dat er inmiddels wordt gewerkt met digitale terug- en overname (hierna: T&O) verzoeken en het de professionele inschatting van de regievoerder is, die de passende uitzettingshandelingen bepaalt. Eiser betoogt dat inmiddels weer een maand is verstreken en er geen enkele vooruitgang in de zaak is. Er is in het algemeen gerappelleerd en er is een vertrekgesprek gehouden, maar vanuit de autoriteiten van Bangladesh is niets vernomen. De nieuwe lp-aanvraag komt voor eiser over als een experiment, met het enige verschil ten opzichte van het resultaat uit 2017 dat de aanvraag nu digitaal is ingediend. Juist omdat de cijfers over lp-afgifte van Bangladesh gering zijn en in 2017 een negatief resultaat is afgegeven door de autoriteiten, is de kans op succes klein. Nu inmiddels drie maanden zijn verstreken zonder dat enige vooruitgang is geboekt, stelt eiser dat zicht op uitzetting is komen te vervallen. Daarnaast voert eiser aan dat er van de minister meer mag worden verwacht en dat hij er meer bovenop zit bij de Bengalese autoriteiten. Nu er slechts enkele lp aanvragen lopen bij de autoriteiten van Bangladesh, valt niet in te zien waarom niet laagdrempelig contact gezocht kan worden met de autoriteiten van Bangladesh. Hierdoor kan de minister peilen welk onderzoek gedaan kan worden, of dat onderzoek nog steeds loopt of dat de autoriteiten van Bangladesh bijvoorbeeld enkel wachten totdat er documenten worden verstrekt. Gelet op voorgaande is eiser van mening dat de minister onvoldoende voortvarend te werk gaat.

5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt of dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting.

6. De rechtbank heeft in haar eerdere uitspraak van 24 december 2025 reeds uitvoerig1 overwogen dat in eisers geval het zicht op uitzetting naar Bangladesh niet ontbreekt. De rechtbank neemt deze overwegingen over. Dat thans ruim één maand na deze uitspraak, de duur van de lp-aanvraag de drie maanden heeft overschreden, is onvoldoende voor het oordeel dat inmiddels nu wel het zicht op uitzetting zou ontbreken. De minister is afhankelijk van de medewerking van de Bengalese autoriteiten. Verder is van belang dat eiser zelf ook geen enkele medewerking toont ten behoeve van zijn terugkeer. Zo geeft hij in het vertrekgesprek van 16 januari 2026 aan dat hij dit ook niet zal gaan doen, omdat hij niet terug wil keren. Gezien het voorgaande ontbreekt het zicht op uitzetting niet.

7. Wat betreft de voortvarendheid rappelleert de minister regelmatig bij de Bengalese autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp, laatstelijk op 8 januari 2026. Daarnaast heeft de minister op 16 januari 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Hieruit volgt dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Het is verder volgens vaste rechtspraak2 aan de regievoerder om te bepalen welke uitzettingshandelingen noodzakelijk zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister meer of andere

1. Zie rechtsoverweging 5.

2 Zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2415

uitzettingshandelingen, zoals het laagdrempelig contact leggen met de Bengalese vertegenwoordiging, had dienen te verrichten.

8. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van

A.F. Klomp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

04 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.