Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:21945

Op 26 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.8910, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21945. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.8910
Datum uitspraak:
26 February 2026
Datum publicatie:
6 August 2026

Indicatie

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8910

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S.H.F. Pols).

Procesverloop

Procesverloop

De minister heeft op 25 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1980.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 januari 2026 (in de zaak NL25.63557) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de

rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert aan dat er zicht op uitzetting ontbreekt en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er naast de twee vertrekgesprekken van 29 januari 2026 en 16 februari 2026 verder geen actie is ondernomen om tot uitzetting te komen. Ook is er nog steeds geen traject richting de Marokkaanse autoriteiten ondernomen. Uit de inhoud van de gevoerde vertrekgesprekken blijkt ook dat er onvoldoende voortvarend gehandeld wordt en zicht op uitzetting ontbreekt. Met name uit het laatste vertrekgesprek blijkt dat er niet meer wordt gesproken over de nodige stappen die eiser kan zetten om zijn terugkeer te bewerkstelligen. Het gaat niet over het realiseren van vertrek. Er wordt alleen gesproken over toekomstplannen. Dat Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) de plannen niet realistisch vindt, maakt niet dat dit vertrekgesprek ook bijdraagt aan het voortvarend handelen en zicht op uitzetting. Volgens eiser kan een vertrekgesprek pas als uitzettingshandeling worden aangemerkt als het gesprek daadwerkelijk gericht is op de noodzakelijke stappen tot vertrek. Gelet op voorgaande handelt de minister onvoldoende voortvarend en ontbreekt zicht op uitzetting.

5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt of dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. Ten eerste verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van

15 januari 2026, rechtsoverweging 9. De minister voert regelmatig vertrekgesprekken met eiser met de bedoeling om eiser actief te laten meewerken aan zijn uitzetting en de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De omstandigheid dat de minister ook over de toekomst praat met eiser maakt daarvan ook onderdeel uit. De minister stelt terecht in zijn verweerschrift dat het zinvol is om de vertrekgesprekken met eiser voort te zetten, omdat er zicht op uitzetting is wanneer eiser zijn situatie onder ogen ziet en hij zijn medewerking aan het vertrekproces gaat verlenen. Door regelmatig vertrekgesprekken te voeren, laatstelijk op 29 januari 2026 en 16 februari 2026, werkt de minister voortvarend aan eisers uitzetting. De regievoerder heeft de professionele inschatting gemaakt dat de vertrekgesprekken wel van toegevoegde waarde zijn in deze situatie om de uitzetting van eiser zo spoedig mogelijk te kunnen bewerkstelligen. Het is aan de regievoerder om passende uitzettingshandelingen te bepalen. De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding om aan deze uitzettingshandelingen te twijfelen. Verder rust op eiser de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Tot heden blijkt niet dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Al met al is de rechtbank van oordeel dat het zicht op uitzetting naar Marokko in beginsel ook aanwezig is. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.

6. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

26 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.