Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Somalische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1997.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 juni 2026 (in de zaken NL26.29163 en NL26.29168) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de
rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting ontbreekt. Er zijn geen duidelijke indicaties dat de Somalische autoriteiten een laissez passer (hierna: lp) zullen verstrekken aan eiser. De Somalische autoriteiten hebben de nationaliteit en identiteit van eiser bevestigd, maar eiser stelt zelf contact te hebben gehad met de Somalische autoriteiten en bij hen kenbaar te hebben gemaakt dat hij te vrezen heeft voor Al-Shabaab. De Somalische autoriteiten hebben hem vervolgens meegedeeld dat er geen lp verstrekt zal worden, omdat zij begrijpen dat een terugkeer voor eiser levensgevaarlijk is. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister meerdere malen heeft gerappelleerd bij de Somalische autoriteiten, maar hieruit blijkt volgens eiser niet dat in de toekomst een lp zal worden verstrekt. De minister is ook niet met de Somalische autoriteiten in gesprek getreden om de verklaringen van eiser te verifiëren. Gelet op voorgaande is er volgens eiser geen zicht op uitzetting. De maatregel van bewaring dient daarom te worden opgeheven.
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt of dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. Inmiddels is de identiteit en nationaliteit van eiser door de Somalische autoriteiten bevestigd. De minister rappelleert regelmatig bij de Somalische autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp, laatstelijk op 4 juni 2026 en 26 juni 2026. Verder volgt uit de voortgangsrapportage dat de minister op 24 juni 2026 met eiser een vertrekgesprek heeft gevoerd. De rechtbank stelt vast dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Somalië niet ontbreekt.1 Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders zou zijn. Eiser voert aan dat de Somalische autoriteiten hem hebben meegedeeld dat er geen lp zal worden verstrekt, maar hij heeft dit niet onderbouwd. De minister geeft in zijn verweerschrift aan dat hij hier niet mee bekend is en dat de Somalische autoriteiten dit ook niet aan hem kenbaar hebben gemaakt. Ook na het rappel van 26 juni 2026 is van de zijde van de Somalische autoriteiten geen reactie ontvangen waaruit blijkt dat er geen lp zal worden verstrekt. Gelet op het voorgaande bestaat voor de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen lp zal worden afgegeven, waarbij mede in aanmerking is genomen dat de identiteit en nationaliteit van eiser door de Somalische autoriteiten zijn vastgesteld. In hetgeen eiser in deze procedure overigens naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank evenmin aanleiding om aan te nemen dat ten aanzien van hem persoonlijk het zicht op uitzetting ontbreekt. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 24 juni 2026 blijkt dat eiser heeft verklaard dat de Somalische autoriteiten geen lp zullen afgeven, omdat hij aan de Somalische autoriteiten heeft verteld dat hij gevaar loopt. Hieruit blijkt echter onvoldoende dat dit ook daadwerkelijk zo aan hem is meegedeeld. Dit is verder ook niet bevestigd door de Somalische autoriteiten. Nu ook niet is gebleken dat de Somalische autoriteiten hebben aangegeven dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven of dat zij de aanvraag niet langer in behandeling hebben, is de rechtbank van oordeel dat er nog steeds zicht op uitzetting bestaat. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. In wat eiser aanvoert over het ontbreken van zicht op uitzetting in verband met een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Somalië of een handeling in strijd met het verbod op refoulement, verwijst de rechtbank ten
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 2 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14800, rechtsoverweging 7.
eerste naar haar eerdere uitspraak van 8 juni 2026 (NL26.29163 en NL26.29168), rechtsoverweging 24. In beroep zijn er geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit concrete aanwijzingen blijken dat terugkeer naar Somalië nu wel leidt tot schending van het bepaalde in artikel 3 van het EVRM, of van het verbod van refoulement. Eiser heeft op 25 mei 2026 zijn herhaalde asielaanvraag ingetrokken en er zijn verder geen nieuwe feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan nu anders zou moeten worden geoordeeld dan in de eerdere uitspraak van 8 juni 2026. De maatregel van bewaring duurt rechtmatig voort. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.