Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van 26 juni 2026 aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de minister de overdrachtstermijn terecht heeft verlengd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toepasselijk recht
9. Op 12 juni 2026 is de AMBV in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening (Voetnoot 2) op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.Welke verordening is van toepassing?
10. Eiser voert aan dat in deze zaak de Dublinverordening van toepassing is. Volgens eiser ziet het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de AMBV niet alleen op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat maar ook op de verlenging van de overdrachtstermijn. De overdrachtstermijn is volgens eiser onlosmakelijk verbonden met de verantwoordelijkheidsvraag, omdat uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van rechtswege overgaat indien de overdracht niet tijdig plaatsvindt. Een uitleg waarbij de overdrachtstermijn buiten het overgangsrecht valt, terwijl deze termijn rechtstreeks invloed heeft op de verantwoordelijkheidsverdeling, is volgens eiser in strijd met de grammaticale, systematische en teleologische uitleg van artikel 84, tweede lid, van de AMBV. Eiser stelt daarom dat een maximale overdrachtstermijn van achttien maanden op zijn situatie van toepassing is. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar twee uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 juni 2026 (Voetnoot 3) en 3 juli 2026 (Voetnoot 4), naar artikel IX van de Uitvoerings- en Implementatiewet Asiel- en migratiepact en de bijbehorende Memorie van toelichting (Voetnoot 5)en Nota van wijziging (Voetnoot 6). Eiser benadrukt daarbij dat in deze zaak geen sprake is van een nieuwe rechtsverhouding die is ontstaan na inwerkingtreding van de AMBV, waarop de AMBV van toepassing zou moeten zijn.
11. De rechtbank overweegt als volgt. Het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid,
van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Dit overgangsrecht is niet van toepassing omdat het in deze zaak gaat om de verlenging van de overdrachtstermijn en niet over de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Die vaststelling heeft immers al plaatsgevonden (zie overweging 1). Het verlengingsbesluit van de overdrachtstermijn dateert van 26 juni 2026, en daarmee ná de inwerkingtreding van de AMBV. Gelet op de onmiddellijke werking van de AMBV is die verordening dus van toepassing.
Vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel
12. Eiser voert verder aan dat toepassing van de AMBV in strijd is met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Eiser heeft zijn asielaanvraag heeft ingediend vóór de inwerkingtreding van de AMBV. Op het moment van zijn aanvraag gold de Dublinverordening, waarin bij onderduiken een maximale overdrachtstermijn van achttien maanden was opgenomen. Eiser mocht er daarom op vertrouwen dat zijn aanvraag zou worden beoordeeld en afgewikkeld overeenkomstig dit rechtsregime, inclusief de daarbij behorende procedures en termijnen. Daarnaast voert eiser aan dat het rechtszekerheids-beginsel zich ertegen verzet dat de langere overdrachtstermijn uit de AMBV wordt toegepast op een asielaanvraag die vóór de inwerkingtreding van het Migratiepact is ingediend, tenzij daarvoor een dwingende reden van algemeen belang bestaat. De minister heeft volgens eiser niet gemotiveerd dat van een dergelijke reden sprake is.
13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel niet slaagt. Van een aantasting van een al bestaande rechtssituatie is geen sprake. De vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat is op 24 juni 2026 in rechte vastgesteld. Eiser is hierna, op 25 juni 2026, ondergedoken, dus na inwerkingtreding van de AMBV op 12 juni 2026. Daarmee is een nieuwe situatie (rechtsverhouding) ontstaan waarop het nieuwe rechtsregime van toepassing is. Eiser kon dan ook niet uitgaan van toepassing van de vóór de inwerkingtreding van de AMBV geldende regelgeving en kon daaraan geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen. Het enkele feit dat eiser zijn asielaanvraag vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving heeft ingediend, maakt dit niet anders, nu de relevante omstandigheid die tot verlenging van de overdrachtstermijn heeft geleid (het onderduiken) zich pas daarna heeft voorgedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Materieel terugwerkende kracht
14. Eiser voert, tot slot, aan dat toepassing van de AMBV-overdrachtstermijn van drie jaar in strijd is met het Unierechtelijke verbod op terugwerkende kracht. Volgens eiser waren zijn asielaanvraag, het overnameverzoek en het claimakkoord al vóór inwerkingtreding van de AMBV op 12 juni 2026 tot stand gekomen en bevond de procedure zich op het moment van het bestreden besluit in een vergevorderd stadium. Door de nieuwe overdrachtstermijn toe te passen op een situatie die vóór de inwerkingtreding is ontstaan, heeft de regelgeving volgens eiser materieel terugwerkende kracht.
15. De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals hiervoor in overweging 13 is overwogen, is eiser op 25 juni 2026 ondergedoken, dus na de inwerkingtreding van de AMBV op 12 juni 2026. De verlenging van de overdrachtstermijn is daarmee gebaseerd op een omstandigheid die zich heeft voorgedaan onder het nieuwe rechtsregime. Het gaat dus niet om toepassing van de AMBV op een situatie die vóór de inwerkingtreding definitief was ontstaan, maar om een situatie die na de inwerkingtreding is ontstaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de toepassing van de AMBV-overdrachtstermijn niet leidt tot materiële terugwerkende kracht. De beroepsgrond slaagt niet.
16. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de AMBV van toepassing is. De gronden die eiser daartegen heeft aangevoerd leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van het overgangsrecht.
17. Bij de beoordeling van de verlenging van de overdrachtstermijn zijn artikel 43, eerste lid, sub b en artikel 46, eerste en tweede lid AMBV van belang. In artikel 43, eerste lid, van de AMBV is bepaald in welke gevallen een recht op instelling van een doeltreffend rechtsmiddel bestaat. De rechtbank leidt uit het beroep van eiser af dat ter beoordeling wordt voorgelegd dat er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening, zoals bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder b, van de AMBV. De rechtbank beoordeelt het besluit aan de hand van de overige beroepsgronden.Evenredigheidsbeginsel
18. Eiser voert aan dat, ook indien de AMBV op de overdrachtstermijn van toepassing is, de verlenging hiervan tot maximaal drie jaar disproportioneel is. Volgens eiser is de driejaarstermijn ingevoerd als onderdeel van een nieuw migratiebeheersysteem. Een asielzoeker die zijn procedure is begonnen onder de Dublinverordening, wordt volgens eiser geconfronteerd met een verdubbeling van de overdrachtstermijn zonder dat het nieuwe stelsel waarop die maatregel is gebaseerd op zijn situatie van toepassing is. De toepassing van de langste verlengingstermijn op een pre-pact procedure staat volgens eiser niet in evenredige verhouding tot het nagestreefde doel.
19. De rechtbank oordeelt als volgt. De toepassing van de langere overdrachtstermijn is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de AMBV niet tot doel heeft om te waarborgen dat een vreemdeling na afloop van een periode van onderduiken in Nederland mag verblijven. Het door eiser aangevoerde belang om na het verstrijken van de overdrachtstermijn in aanmerking te komen voor verblijf in Nederland, wordt door de AMBV dan ook niet beschermd. Integendeel, uit overweging 59 van de preambule van de AMBV volgt dat de verlenging van de termijnen juist is bedoeld om te voorkomen dat het gedrag van verzoekers ertoe leidt dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming eindigt of verschuift naar een andere lidstaat. De verlenging van de overdrachtstermijn dient daarmee het doel van een billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verlenging van de overdrachtstermijn niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet. Schending van het recht op privéleven
20. Eiser voert aan dat de toepassing van een overdrachtstermijn van drie jaar een ongerechtvaardigde inmenging vormt in zijn recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Volgens eiser was deze inmenging niet voorzienbaar, omdat hij bij het indienen van zijn asielaanvraag niet kon weten dat de AMBV op zijn procedure zou worden toegepast. Daarnaast stelt eiser dat de maatregel disproportioneel is, omdat deze zijn verblijfssituatie langdurig onzeker houdt.
21. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waaruit de gestelde inmenging in zijn recht op privéleven precies bestaat. De langere overdrachtstermijn vloeit voort uit het feit dat eiser zich aan het toezicht heeft onttrokken. Eiser heeft er zelf voor gekozen om onder te duiken en de gevolgen van die keuze komen voor zijn eigen risico. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging in het recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het Handvest. De beroepsgrond slaagt niet. Berekening termijn van een verlengde overdrachtstermijn
22. Op de zitting is de berekening van de overdrachtstermijn aan de orde gesteld. Eiser voert aan dat de overdrachtstermijn onjuist is berekend. Volgens eiser had de verlengingstermijn moeten worden berekend vanaf het moment waarop de verantwoordelijke lidstaat is geïnformeerd over het onderduiken, zoals bepaald in artikel 46, tweede lid, van de AMBV, en niet vanaf de datum van de acceptatie van het claimakkoord. Eiser stelt dat daarom het besluit moet worden vernietigd.
23. De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de termijn van de verlengde overdrachtstermijn moet worden berekend vanaf de datum van de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking. (Voetnoot 7) Redengevend hiervoor is dat artikel 46, tweede lid, van de AMBV teruggrijpt op de in het eerste lid van artikel 46 genoemde overdrachtstermijn. De zinsnede beginnend met “Die termijn”, in artikel 46, tweede lid, van de AMBV, ziet daarmee op de overdrachtstermijn die al is aangevangen op het moment van aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname. De mogelijkheid om deze termijn te verlengen tot maximaal drie jaar heeft uitsluitend betrekking op deze al aangevangen overdrachtstermijn. De verwijzing naar het moment waarop de verantwoordelijke lidstaat in kennis wordt gesteld van het onderduiken ziet naar het oordeel van de rechtbank op de verplichting tot informatieverstrekking tussen de lidstaten en bepaalt niet het aanvangsmoment van de overdrachtstermijn. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de door de minister vastgestelde uiterste overdrachtsdatum van 12 januari 2029 juist is.
24. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het bericht aan de verantwoordelijke lidstaat waarin de overdrachtstermijn wordt verlengd, moet worden aangemerkt als het besluit tot verlenging. (Voetnoot 8) In dit geval betreft dat het bericht dat op 26 juni 2026 aan Zwitserland is verzonden. De rechtbank is niet gebleken dat in dit bericht onregelmatigheden staan. Er is geen grond voor vernietiging van het besluit.