[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Voetnoot 1). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het buiten behandeling laten van de asielaanvraag.
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL26.21929).
4. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van de gemachtigde, niet verschenen.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
5. De minister heeft op 10 juni 2026 aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.
6. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure.
7. Als een vreemdeling, die in Nederland om bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, moet ervan worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een dergelijke melding mag een beroep dus niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. (Voetnoot 2)
8. De gemachtigde van eiser heeft in reactie op vragen van de rechtbank op 16 juni 2026 aangegeven dat hij in contact staat met eiser en dat eiser belang hecht aan behandeling van zijn asielaanvraag.
9. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep. Eiser heeft op 30 december 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Uit het dossier blijkt dat hij vervolgens op 31 januari 2026 al naar Duitsland is vertrokken. In Duitsland is eiser ook met onbekende bestemming vertrokken na een asielaanvraag. Eiser heeft zich niet opnieuw gemeld bij de minister. De vraag is daarom of eiser wel interesse heeft in de beoordeling van zijn asielaanvraag.
10. De rechtbank is van oordeel dat in lijn met vaste jurisprudentie van de Afdeling moet worden aangenomen dat uit de reactie van de gemachtigde van eiser moet worden afgeleid dat eiser nog steeds prijs stelt op internationale bescherming, ondanks het feit dat hij (meermaals) met onbekende bestemming is vertrokken en niet bekend is waar hij nu verblijft. De rechtbank neemt daarom procesbelang aan en zal het beroep inhoudelijk beoordelen.
11. De minister heeft de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Eiser is namelijk niet verschenen op het nader gehoor van 25 maart 2026. Eiser heeft hiervoor geen reden gegeven of aangetoond dat het niet verschijnen niet aan hem is toe te rekenen.
12. Eiser voert in beroep aan dat hij de uitnodiging voor het nader gehoor niet heeft ontvangen. Dit kan volgens eiser komen door gebrekkige postbezorging. Hierdoor valt eiser niet te verwijten dat hij afwezig is geweest bij het gehoor.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielvraag buiten behandeling heeft mogen stellen. Eiser is met de brief van 11 maart 2026 uitgenodigd voor het nader gehoor van 25 maart 2026. In die brief is ook aangegeven hoe de procedure verder verloopt. De rechtbank overweegt dat de uitnodiging op de juiste wijze bekend is gemaakt. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de uitnodiging van het gehoor op twee manieren aan eiser is verstuurd. De minister heeft de uitnodiging verstuurd naar het adres van eiser bij het COA en de (toenmalige) gemachtigde van eiser op de hoogte gebracht van de datum van het nader gehoor door de uitnodiging te plaatsen in het advocatenportaal.
14. Wat eiser in beroep aanvoert geeft geen grond voor redelijke twijfel aan de bekendmaking van de uitnodiging. Eiser heeft, zoals de minister terecht stelt, ook nagelaten om een zienswijze in te dienen of anderszins kenbaar te maken dat hij gehoord wilde worden, terwijl dit wel op de weg van eiser had gelegen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.