Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:22400

Op 10 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.31275 en NL26.31276, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:22400. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.31275 en NL26.31276
Datum uitspraak:
10 August 2026
Datum publicatie:
11 August 2026

Indicatie

Asielaanvraag niet-ontvankelijk, omdat eiser een Europees onderdaan is. Protocol nr. 24 van het VWEU, interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.31275 (beroep)

NL26.31276 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1990, van Poolse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),

(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S. Imani).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Voetnoot 1). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Polen een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 2). Niet is gebleken dat de minister ten aanzien van Polen niet langer uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 juni 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser vreest voor [de persoon] en andere mensen van de criminele organisatie, omdat eiser wordt gezien als verrader. Daarnaast is tegen eiser een opsporingsbericht uitgevaardigd en eiser vreest voor de detentieomstandigheden in Polen.

Het bestreden besluit

4. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, op grond van Protocol nr. 24 van het VWEU (Voetnoot 3) (Protocol). Eiser is Europees onderdaan en lidstaten van de Europese Unie (EU) beschouwen elkaar als veilige landen van oorsprong wat betreft asielaanvragen van elkaars onderdanen. Dit houdt in dat asielaanvragen van EU-onderdanen in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard. Alleen in een van de in het Protocol beschreven gevallen wordt een asielaanvraag alsnog in behandeling genomen door de lidstaat waar de aanvraag wordt ingediend. Daarvan is geen sprake. Ook is niet gebleken dat voor Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Eiser heeft op 3 februari 2026 een besluit ontvangen waarin staat dat zijn EU-verblijfsrecht is ingetrokken.

Standpunt eiser

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Gelet op eisers individuele omstandigheden loopt hij bij terugkeer een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. (Voetnoot 4) Eiser vreest voor represailles vanuit het criminele milieu. Dat eiser in detentie is overgeplaatst, betekent niet zonder meer dat de Poolse autoriteiten hem bescherming hebben geboden. Daarnaast wordt eiser door de Poolse autoriteiten gezocht voor overtreding van artikel 278 van het Poolse Wetboek van Strafrecht. Gelet op het opsporingsbericht is het aannemelijk dat eiser gedetineerd zal raken. Uit verschillende publiek beschikbare bronnen (Voetnoot 5) blijkt dat de detentieomstandigheden in Polen niet in lijn zijn met de geldende Europese normen. Eiser wordt door een crimineel netwerk als verrader gezien, heeft eerder in detentie problemen gehad en is meermaals overgeplaatst vanwege bedreigingen. De Poolse detentie-instellingen bieden onvoldoende waarborgen tegen geweld, mishandeling en represailles.

Beoordeling rechtbank

6. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een situatie die genoemd staan in het Protocol. Wel is tussen partijen in geschil of ten aanzien van Polen uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de minister in het geval van eiser ten aanzien van Polen niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Voor zover eiser vreest voor de leden van de criminele organisatie, overweegt de rechtbank dat van eiser mag worden verwacht dat hij de hulp of bescherming van de Poolse autoriteiten inroept. Dat het bij voorbaat zinloos is om de bescherming van deze autoriteiten in te roepen, en dat eiser eerder door de Poolse politie is bedreigd en mishandeld, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft hierover ook geen stukken overgelegd die hierop wijzen. Daarbij heeft de minister kunnen wijzen op het feit dat eiser tijdens zijn tijd in de Poolse detentie meerdere keren is overgeplaatst, omdat eiser telkens werd bedreigd. (Voetnoot 6) Hieruit volgt dat de Poolse autoriteiten eisers veiligheid in ogenschouw nemen en bereid zijn om eiser de nodige bescherming te bieden. In eisers verklaringen over de criminele organisatie heeft de minister dan ook geen aanknopingspunten hoeven zien om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te kunnen gaan.

6.2.

Daarnaast is de enkele verwijzing van eiser naar het opsporingsbericht op de Poolse website onvoldoende om aannemelijk te achten dat eiser bij terugkeer in detentie zal worden geplaatst. Uit het opsporingsbericht blijkt namelijk niet waarom eiser op deze opsporingslijst staat. Eiser stelt dat hij bij verstek is veroordeeld, maar uit het opsporingsbericht volgt niet of het gaat om een veroordeling of een nog openstaand strafbaar feit. Eiser heeft behalve zijn verklaringen geen andere juridische documenten overgelegd van de veroordeling. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Polen een risico loopt om in detentie te belanden. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de detentieomstandigheden een mogelijk risico op schending van artikel 3 van het EVRM opleveren.

6.3.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser niet inhoudelijk heeft hoeven te behandelen, omdat niet is gebleken dat ten aanzien van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat eiser geen asielvergunning krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

8. Nu op het beroep is beslist bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.31275:

- verklaart het beroep ongegrond;

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.31276:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Bruggen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 3

Protocol nr. 24 inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Voetnoot 4

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Voetnoot 5

FRANET, Criminal detention in the EU: Conditions and Monitoring. Update of FRA's Criminal Detention Database, 29 april 2024;

Report of the Commissioner for Human Rights on the Activities of the National Mechanism for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment in Poland in 2022;

Helsinki foundation for human rights, criminal detention in de EU conditions and monitoring, Poland 2021;

Report to the Polish Government on the visit to Poland carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from 21 March to 1 April 2022;

Report of the Commissioner for Human Rights on the activities of the National Mechanism for the Prevention of Torture in Poland in 2020.

Voetnoot 6

Pagina 7 van het Rapport gehoor EU-onderdaan.