RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres],
geboren op [geboortedag] 1965, van Iraanse nationaliteit, eiseres,
(gemachtigde: mr. M. Gavami),
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot verlening van een visum kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Dit betekent dat de afwijzing van de visumaanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 2 mei 2024 verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf bij haar nicht [referent] (hierna: referent) voor de periode van 6 juni 2024 tot en met
2 september 2024. Het doel van het verblijf is het bijwonen van het huwelijk van referent. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft op 25 juni 2026 nadere beroepsgronden ingediend en op 1 juli 2026 een foto.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en [naam], broer van referent. Namens de minister is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Ook bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van voldoende sociale- en economische binding met Iran.
4. Eiseres voert aan dat zij eerder Nederland is ingereisd en dat de feitelijke situatie niet anders is dan toentertijd. De minister heeft niet gemotiveerd wat er nu anders is dan bij de verlening van de eerdere visa. Om onduidelijke redenen is de gemachtigde vergeten in bezwaar nadere gronden en stukken in te dienen. De minister dient gehouden te worden aan zijn eigen praktijk, dat wil zeggen overleg met de gemachtigde in het geval van onduidelijkheden en onvolledigheden. Volgens eiseres is het doel van verblijf wel aangetoond, zij wilde een huwelijk bijwonen en wil nu kennismaken met de echtgenoot van referent en tijd doorbrengen met familie. Ten aanzien van de sociale binding voert eiseres aan dat zij 61 jaar oud is en haar hele leven in Iran heeft gewoond. Zij woont bij haar zoon en zorgt voor haar zieke moeder. Daarnaast is de economische situatie niet relevant, omdat de economische en sociale binding communicerende vaten zijn. Bovendien is de veronderstelling dat eiseres maar € 8,16 op haar rekening heeft onjuist. Eiseres is ook ten onrechte niet gehoord in bezwaar.
5. De rechtbank stelt voorop dat zij in zaken als deze ‘ex tunc’ moet toetsen. Dat betekent dat de rechtbank moet kijken naar de situatie zoals die was op het moment dat de minister het bestreden besluit nam, in dit geval 29 april 2025. Feiten en omstandigheden die daarna zijn opgetreden kunnen in beginsel niet bij de beoordeling worden betrokken. Dit betekent dat de door eiseres in beroep ingediende stukken alleen bij de beoordeling worden betrokken voor zover zij een nadere onderbouwing zijn van een eerder ingenomen standpunt in bezwaar.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de financiële gegevens en stukken ten aanzien van de arbeidsovereenkomst van referent geen nadere onderbouwing betreffen van een eerder ingenomen standpunt. In bezwaar was aangevoerd dat een nadere onderbouwing van het werk van eiseres ingediend zou worden en niet van referent. Ook de foto die een dag voor de zitting is toegestuurd is geen nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Dat eiseres mantelzorger is voor haar moeder is immers niet in bezwaar aangevoerd. Overigens is de foto ook ongedateerd en heeft de rechtbank geen onderbouwing ontvangen van wie er op de foto staan. Tot slot is een kopie van het paspoort van de moeder van referent ingediend, dit is ook geen onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt.
5.2
De rechtbank stelt daarnaast vast dat de in- en uitreisstempels wel zien op een eerder ingenomen standpunt, namelijk dat eiseres eerder is ingereisd. Daarnaast kunnen de identiteitskaart van referent en haar echtgenoot bij de beoordeling betrokken worden, gelet op de aankondiging van het huwelijk. Deze stukken betrekt de rechtbank daarom wel bij haar beoordeling.
Zorgvuldigheid bezwaarprocedure
6. De rechtbank is verder van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen. Hoewel primaire besluiten in visumzaken summier zijn, is de rechtbank in deze zaak van oordeel dat uit het primaire besluit duidelijk blijkt dat eiseres en referent de gestelde relatie en haar sociale en economische binding dienden te onderbouwen. Het is namelijk aan eiseres om haar aanvraag aan de hand van objectieve bewijsstukken te onderbouwen. De gemachtigde van eiseres had bij de gronden van bezwaar ook aangekondigd dat er nadere stukken zouden worden ingediend, maar dat is niet gebeurd. Dit betekent echter niet dat het dan aan de minister is om bij de gemachtigde navraag te doen. Eiseres heeft voldoende gelegenheid gehad om de vragenlijst aan de minister te retourneren, met daarbij de verschillende aangekondigde stukken. Er zit immers negen maanden tussen het opsturen van de vragenlijst aan eiseres met de brief van 29 juli 2024 en het bestreden besluit van 29 april 2025. Dat de gemachtigde alle bewijsstukken in één keer wil indienen, zoals op de zitting aangegeven, komt voor zijn rekening en risico.
7. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat zij eerder is ingereisd en de merites van de aanvragen identiek zijn, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat iedere aanvraag op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. Anders dan eiseres aanvoert is het ook niet aan de minister om te onderbouwen dat de situatie anders is. Het is immers aan eiseres om haar aanvraag te onderbouwen. Op de zitting kon de gemachtigde bovendien niet aangeven in hoeverre sprake is van dezelfde situatie. Dit laat onverlet dat een eerder verleend visum (waarna eiseres tijdig is teruggekeerd) een goede indicatie kan zijn om te beoordelen of moet worden getwijfeld aan het voornemen van eiseres om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum. Uit het dossier volgt dat eiseres in 2016, 2017 en 2019 in Nederland is geweest. Dit is inmiddels een aantal jaren geleden. De minister heeft geen doorslaggevende waarde hoeven te geven aan de eerder verleende visa.
Redelijke twijfel voornemen tijdige terugkeer
8. Ten aanzien van de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om voor het verstrijken van het visum het Schengengebied weer te verlaten, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres haar sociale binding met Iran onvoldoende heeft aangetoond. Eiseres is een vrouw van 61 jaar, gescheiden, en heeft twee meerderjarige kinderen. Niet is gebleken dat eiseres zorg draagt voor directe familieleden. In beroep is aangevoerd dat eiseres mantelzorger is voor haar moeder, maar zoals eerder overwogen kan de rechtbank aan deze verklaring geen betekenis hechten gelet op haar ex tunc toets. Bovendien is ook dit standpunt verder niet onderbouwd met stukken. Verder is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen tijdig naar Iran terug te keren.
8.1.
De minister heeft ook mogen stellen dat de economische binding met Iran niet zo sterk is dat de tijdige terugkeer is gewaarborgd. De minister heeft daartoe kunnen overwegen dat eiseres een bankverklaring heeft overgelegd met daarop een saldo van omgerekend € 8,16 op 27 april 2024. Uit de bankverklaring blijkt ook niet waar het bedrag vandaan komt. Er zijn geen aanwijzingen dat dit bedrag het gevolg is van inkomsten gegenereerd uit werk of anderszins. In bezwaar zijn door eiseres ook geen nadere stukken ingediend. Op de zitting is verder aangegeven dat eiseres een nabestaandenuitkering ontvangt. Hieraan kan de rechtbank echter geen betekenis hechten, omdat dit betoog van na de besluitvorming is. Nog daargelaten dat dit ook niet is onderbouwd met stukken.
Doel en omstandigheden van het verblijf
9. Ten aanzien van het doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf overweegt de rechtbank dat ten tijde van het bestreden besluit de relatie tussen eiseres en referent onduidelijk was. Over deze relatie, dat eiseres de tante van referent is, zijn pas in beroep stukken overgelegd. Het betreft zoals eerder overwogen een aanvraagsituatie en het is aan eiseres om haar reisdoel aannemelijk te maken. Eiseres is er niet in geslaagd haar relatie met referent in bezwaar en daarmee het doel van haar verblijf aannemelijk te maken. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar verblijf niet heeft aangetoond.
10. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ook van oordeel is dat de minister het bezwaar als kennelijk ongegrond kon afdoen en daarom kon de minister in dit geval afzien van het horen van eiseres. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling (Voetnoot 1) dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. (Voetnoot 2) Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van de procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit. (Voetnoot 3) Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om haar uit te nodigen voor een hoorzitting. In wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om eiseres nader te horen over het doel van haar verblijf en haar gestelde sociale en economische binding met het land van herkomst.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Bruggen, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.C. van der Vegt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.