Procesverloop
Procesverloop
1. Bij besluit van 29 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (Voetnoot 1)opgelegd.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Hij heeft zich op de rechtbank Groningen laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
4. Eiser heeft de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op 8 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend. Deze is bij besluit van 15 februari 2024 buiten behandeling gesteld. Op 3 oktober 2024 heeft eiser opnieuw asiel aangevraagd. Bij besluit van 14 januari 2025 is de opvolgende asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a, b en c heeft betwist.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgronden tegen de gronden a en b niet slagen, de minister de gronden a, b, j, r en s deugdelijk heeft gemotiveerd en terecht aan eiser heeft tegengeworpen: (a) Eiser is Nederland binnengekomen zonder in het bezit te zijn van een geldig grensoverschrijdingsdocument. Eiser heeft verklaard met een vestigingsdoel naar Nederland te zijn gereisd. Hij heeft zich, door gebruikmaking van een reisvisum in plaats van een mvv (Voetnoot 2), op oneigenlijke wijze toegang tot Nederland verschaft. Daarnaast heeft eiser eerder illegaal in Nederland verbleven en toont hij hiermee bij herhaling aan geen waarde te hechten aan rechtmatig verblijf in Nederland en niet, dan wel niet eerder dan naar eigen believen, te vertrekken. Ook heeft eiser geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland en is hij met onbekende bestemming vertrokken; (b) Eiser heeft bij besluit van 15 februari 2024 een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Daarbij is aan hem een termijn gegund binnen welke termijn hij Nederland diende te verlaten. Eiser heeft Nederland weliswaar verlaten, maar heeft op 3 oktober 2024 opnieuw een asielaanvraag in Nederland ingediend; (j) Eiser heeft op 8 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend, welke bij besluit van 15 februari 2024 buiten behandeling is gesteld. Vervolgens heeft eiser op 3 oktober 2024 opnieuw asiel aangevraagd en is deze opvolgende aanvraag bij besluit van 14 januari 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond; (r) Eiser staat niet ingeschreven in de BRP; (s) Eiser beschikt niet over eigen zelfstandige middelen van bestaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de gronden c en h daarom onbesproken.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden a, b, j, r en s de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Een lichter middel volstaat niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. De beroepsgrond dat eiser zich nu wel aan een meldplicht zal houden en dat de vreemdelingenbewaring hem zwaar valt, slaagt niet: gezien de gronden a en b kan daar geen doorslaggevend belang aan worden toegekend.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
8. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser en is er zicht op uitzetting. Zo heeft de minister op 31 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Ook acht de rechtbank van belang dat eiser is gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten en dat zijn Algerijnse nationaliteit is bevestigd. Verder heeft de minister ter zitting aangegeven dat al een vlucht was geboekt, maar dat nadien is gebleken dat eiser het Franse grondgebied niet mag betreden. De minister is daarom bezig om een alternatieve vlucht te boeken.
9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. (Voetnoot 3)
9.1.
De rechtbank stelt vast eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit. (Voetnoot 4)