Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:22657

Op 13 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.43722, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:22657. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.43722
Datum uitspraak:
13 August 2026
Datum publicatie:
13 August 2026

Indicatie

Bewaring – 59a Vw – 44 AMBVo – Dublin - overgangsrecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43722

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 3 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vw (Voetnoot 1) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. (Voetnoot 2)

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 4 augustus 2026 zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 6 augustus 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 10 augustus 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de AMBvo (Voetnoot 3) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen. (Voetnoot 4) In de AMBvo staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures veilig te stellen. Dit gebeurt alleen na een individuele beoordeling van de situatie van de persoon. Vreemdelingenbewaring is alleen toegestaan als het evenredig is en als andere, minder ingrijpende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. (Voetnoot 5)

2. Op grond van het Vb (Voetnoot 6) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMBvo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. (Voetnoot 7) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. (Voetnoot 8)

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht naar Duitsland en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken.

5. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

- a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; - k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; - o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; - p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat afdoende gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.

Toepasselijkheid van de Asiel- en migratiebeheerverordening

7. Eiser voert aan dat de AMBvo onjuist is toegepast. Hiertoe voert eiser aan dat hij in vreemdelingenbewaring is gesteld op grond artikel 59a van de Vw in samenhang met de AMBvo, maar dat de feitelijke motivering van de maatregel is gebaseerd op de Dublinverordening. Volgens eiser is de maatregel hierdoor onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

8. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Uit het overgangsrecht van de AMBvo volgt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 is ingetrokken (Voetnoot 9) en dat verwijzingen naar de ingetrokken verordening (de Dublinverordening) gelden als verwijzingen naar deze verordening (de AMBvo). (Voetnoot 10) Verweerder heeft daarom kunnen volstaan met verwijzingen naar de Dublinverordening om te onderbouwen dat eiser op grond van de AMBvo dient te worden overgedragen naar Duitsland.

Individuele beoordeling

9. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende invulling heeft gegeven aan de individuele beoordeling waarom er bij eiser sprake is van een onderduikrisico.

10. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft op basis van het gedrag van eiser voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring en de verklaringen van eiser tijdens het gehoor de conclusie getrokken dat er in het geval van eiser een onderduikrisico bestaat. Ook heeft verweerder bij de beoordeling betrokken dat eiser zelf geen actie heeft ondernomen om de overdracht naar Duitsland mogelijk te maken. De rechtbank ziet in het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende individueel heeft gemotiveerd waarom er in het geval van eiser sprake is van een onderduikrisico.

Lichter middel

11. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel dan vreemdelingenbewaring. Daarbij voert eiser aan dat onvoldoende is onderbouwd waarom niet opnieuw een meldplicht kan worden opgelegd.

12. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan vreemdelingenbewaring doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Nadat ten aanzien van eiser een overdrachtsbesluit voor overdracht naar Duitsland is genomen is met eiser een vertrekgesprek gevoerd en een meldplicht opgelegd. Na dit vertrekgesprek is eiser met onbekende bestemming vertrokken. Alhoewel eiser zich vervolgens opnieuw heeft gemeld voor opvang, heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard niet overgedragen te willen worden aan Duitsland en dat hij deze overdacht ook niet mogelijk wil maken. Verweerder heeft hiermee terecht gewezen op de eerdere overdracht die geen doorgang heeft kunnen vinden omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Gelet daarop heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat een gedwongen setting nodig is voor de overdracht van eiser. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de vreemdelingenbewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken.

Ambtshalve toets

13. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 13 augustus 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Dit volgt uit artikel 96, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 3

Asiel- en Migratiebeheerverordening (Vo. (EU) 2024/1351)

Voetnoot 4

Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 5

Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voetnoot 6

Vreemdelingenbesluit 2000.

Voetnoot 7

Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.

Voetnoot 8

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Voetnoot 9

Artikel 83, eerste volzin, Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voetnoot 10

Artikel 83, tweede volzin, Asiel- en migratiebeheerverordening.