Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:22663

Op 13 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.54786, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:22663. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.54786
Datum uitspraak:
13 August 2026
Datum publicatie:
13 August 2026

Indicatie

Asiel - Israël - huiselijk geweld - bescherming van Israëlische overheid - opgelegd contactverbod - discriminatie - beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.54786

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1], eiseres,

geboren op [geboortedatum 1],

van Israëlische nationaliteit,

V-nummer: [nummer 1],

[naam 2], eiseres,

geboren op [geboortedatum 2],

van Israëlische nationaliteit,

V-nummer: [nummer 2],

[naam 3], eiser,

geboren op [geboortedatum 3],

van Israëlische nationaliteit,

V-nummer: [nummer 3],

hierna gezamenlijk: eisers,

(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw (Voetnoot 1). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dit betekent dat het beroep ongegrond is en eisers ongelijk krijgen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

2.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eiseres is slachtoffer van huiselijk geweld door haar ex-echtgenoot. De ex-echtgenoot maakte deel uit van een bende die mensen oplicht en hij gebruikte ook alcohol en drugs. Eiseres werd verbaal en fysiek mishandeld en financieel misbruikt. In 2012 heeft eiseres geprobeerd te scheiden van haar (inmiddels ex-)echtgenoot, maar ze bleek zwanger te zijn en uiteindelijk kwamen ze in datzelfde jaar weer samen. De mishandelingen en het financiële misbruik continueerden en ook de kinderen werden mishandeld door hun vader (de ex-echtgenoot). In 2015 werd eiseres ook bedreigd door haar ex-echtgenoot. Eiseres heeft toen de politie gebeld. De politie heeft haar ex-echtgenoot aangehouden, maar na een uur werd hij vrijgelaten. Vervolgens kwamen er meerdere mensen langs in haar winkel en eisten betaling van het geld dat haar echtgenoot had geleend. In 2018 is eiseres gescheiden. De ex-echtgenoot bleef eiseres lastigvallen. In 2019 is de winkel van eiseres beschoten, werd ze mishandeld en is haar winkel in brand gestoken. Eiseres heeft hiervan aangifte gedaan. Bij de aangifte werd eiseres medegedeeld dat ze het onderling moesten oplossen. In 2021 heeft de ex-echtgenoot van eiseres haar proberen te vermoorden. Eiseres heeft hiervan aangifte gedaan en ook bij deze aangifte heeft de politie tegen eiseres gezegd dat ze het onderling moesten oplossen. Haar ex-echtgenoot kreeg naar aanleiding van de aangifte een contactverbod opgelegd. Eiseres heeft in Akko een nieuwe winkel geopend, maar daar gingen de bedreigingen door, ondanks het contactverbod. Eiseres vreest bij terugkeer te worden vermoord door haar ex-echtgenoot. Eiseres stelt verder dat zij in Israël wordt gediscrimineerd omdat zij Arabisch is. Ze vreest ook voor de oorlog in Israël. Eiseres stelt tot slot dat zij zich online kritisch heeft geuit tegen de oorlog in Gaza, waardoor zij bij terugkeer eveneens vreest.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Problemen met ex-echtgenoot;

Uitingen tegen de oorlog in Gaza.

4.1.

De minister vindt alle asielmotieven geloofwaardig. Dit leidt volgens de minister niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Israël. De minister heeft in het besluit overwogen dat eisers niet afkomstig zijn uit Gaza, maar uit Akko, een stad in het noorden van Israël, zodat niet wordt uitgegaan van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. De minister heeft verder overwogen dat uit Noorse landeninformatie uit 2024 over de situatie voor Arabische Israëliërs geen voorbeelden volgen van daadwerkelijke veroordelingen op grond van het posten van pro-Hamas uitlatingen op sociale media of van pro-Hamas uitingen in de straten. Verder blijkt uit openbare informatie niet dat demonstranten hun mening niet mogen delen. Hieruit concludeert de minister dat het uiten van een mening tegen de oorlog in Gaza mag plaatsvinden en dat demonstranten hierdoor niet in het negatieve daglicht van de autoriteiten komen te staan. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in het negatieve daglicht van de autoriteiten zijn komen te staan vanwege de uitingen tegen de oorlog in Gaza. Daarmee acht de minister de vrees bij terugkeer niet aannemelijk. De minister heeft verder geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn waaruit kan worden afgeleid dat de Israëlische autoriteiten eiseres in de toekomst geen bescherming kunnen bieden tegen haar ex-echtgenoot. Eiseres heeft zich eerder tot de Israëlische overheid gewend om aangifte te doen en er is een contactverbod opgelegd aan de ex-echtgenoot. De minister overweegt verder dat eiseres maar één keer aangifte heeft gedaan van het overtreden van het contactverbod, terwijl eiseres heeft verklaard dat haar ex-echtgenoot 4 á 5 keer het contactverbod heeft overtreden. Uit de verklaringen van eiseres volgt verder niet dat zij een klacht heeft ingediend over de gang van zaken bij de politie. Dit is volgens de minister opmerkelijk en had wel van eiseres mogen worden verwacht. De minister overweegt ook dat de stelling dat de ex-echtgenoot van eiseres banden zou hebben bij de politie, op vermoedens berust. De verklaringen van eiseres over het contact met de ex-echtgenoot vindt de minister ongerijmd. Zo zoekt eiseres bescherming in Nederland vanwege haar ex-echtgenoot, maar houden de kinderen wel (telefonisch) contact met hun vader (de ex-echtgenoot). Heeft de minister ten onrechte overwogen dat geen sprake is van structurele discriminatie in Israël tegen eisers als Arabische Israëliërs?

5. Eisers betogen dat het niet dan wel onvoldoende optreden van de politie tegen de ex-echtgenoot van eiseres afkomstig is vanuit de minachting voor de rechten van Arabische Israëliërs. Dit wordt volgens eisers bevestigd in het Report on Human Rights Practices for 2023 – Israël. (Voetnoot 2) Eisers wijzen verder op het Report on Human Rights Practices for 2022 – Israël. (Voetnoot 3) Hieruit volgt dat discriminatie van etnische minderheden in Israël geïnstitutionaliseerd is door recente wetgeving. Het rapport geeft verder ook de conclusies weer van een onderzoek naar het verschil in politieoptreden bij conflicten in gemengde steden, dus met Joods-Israëlische en Arabisch-Israëlische bevolking. Eisers betogen verder dat uit een artikel van het Israël Democracy Institute volgt dat het een politieke keuze is om te korten op het budget voor bestrijding van femicide binnen de Arabische gemeenschap in Israël. (Voetnoot 4) Dit beeld wordt volgens eisers bevestigd in een recent artikel in de Jewish Independent van februari 2026. (Voetnoot 5) Volgens eisers lijkt er bewust beleid te worden gevoerd om de Arabische gemeenschap in Israël te destabiliseren en te marginaliseren. Eisers stellen dat de minister in het bestreden besluit miskent dat eisers hun asielrelaas in combinatie met de bronnen over structureel gebrek aan overheidsoptreden tegen geweld in de Arabische gemeenschap in Israël voldoende aannemelijk hebben gemaakt. De autoriteiten van Israël staan onverschillig tegenover de vrees voor en het daadwerkelijk geopenbaarde geweld.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat Arabische Israëliërs te maken kunnen hebben met discriminatie en dat in bepaalde gemeenschappen zorgen bestaan over het functioneren van het politieoptreden. De rechtbank volgt de minister echter in het standpunt dat dit niet tot de conclusie leidt dat in iedere individuele zaak sprake is van het ontbreken van effectieve staatsbescherming. In het geval van eiseres acht de rechtbank van belang dat zij aangifte heeft kunnen doen tegen haar ex-echtgenoot, er een contactverbod is opgelegd en een maatschappelijk werker is aangewezen om te rapporteren over de omgangsregeling. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hieruit blijkt dat de Israëlische autoriteiten in het specifieke geval van eisers daadwerkelijk hebben opgetreden. De minister stelt terecht dat eisers niet concreet hebben onderbouwd dat uit de door hen overgelegde informatie volgt dat de algemene bevindingen in hun individuele geval hebben geleid of zullen leiden tot het onthouden van bescherming als zij aangifte zouden doen van overtreding van het contactverbod. De verwijzingen van eisers naar de rapporten en de artikelen maken het oordeel niet anders. De minister heeft zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat algemene landeninformatie over structurele knelpunten onvoldoende is, nu deze zich niet vertaalt naar een concreet en individueel risico in het geval van eisers. Verder blijkt uit de verklaringen van eiseres dat zij een opleiding heeft genoten, meerdere goed betaalde banen heeft gehad en dat ze heeft kunnen trouwen en vervolgens ook heeft kunnen scheiden, zodat hieruit evenmin volgt dat eiseres als Arabisch Israëliër te maken heeft gehad met structurele discriminatie.

Heeft de minister ten onrechte overwogen dat eisers bij terugkeer bescherming van de autoriteiten kunnen inroepen tegen de ex-echtgenoot?

6. Eisers betogen dat de minister enkel de problemen met de ex-echtgenoot bij de beoordeling heeft betrokken die de directe aanleiding vormden voor het vertrek. De minister gaat eraan voorbij dat sprake is van een jarenlang patroon van intimidatie, bedreiging en geweld. Zo heeft eiseres vier keer aangifte gedaan tegen de ex-echtgenoot en deze aangiftes zijn ook overgelegd. Eisers stellen dat de minister niet verder kijkt dan vanaf het moment van het contactverbod en de aangiftes tegen overtreding daarvan. De minister had de eerdere aangiftes, de zorg voor eiseres haar kinderen en haar eigen inkomen zwaarder moeten laten wegen bij zijn oordeel over de mate waarin van eiseres nog kon worden verwacht dat zij haar situatie bij andere of hogere instanties zou aankaarten. De minister werpt eiseres daarom ten onrechte tegen dat het opmerkelijk is dat zij niet van elke overtreding van het contactverbod aangifte heeft gedaan. Uit de gebrekkige handhaving van het contactverbod blijkt verder dat praktische bescherming niet gegeven wordt. Eisers voeren verder aan dat de ex-echtgenoot van eiseres haar in Nederland nog altijd bedreigd. Eiseres heeft ter onderbouwing geschreven en gesproken bedreigende berichten overgelegd van haar ex-echtgenoot. Eisers betogen dat hieruit volgt dat de ex-echtgenoot zich niet houdt aan het contactverbod en dat hij bij terugkeer nog altijd een gevaar voor eisers vormt. Eisers wijzen daarbij ook op een nieuwsartikel waaruit volgt dat een Arabisch-Israëlische vrouw, die aangifte had gedaan tegen haar partner, slachtoffer is geworden van femicide. (Voetnoot 6)

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres bescherming van de autoriteiten kan inroepen. De rechtbank volgt eisers niet in het standpunt dat de gebeurtenissen voorafgaand aan het opleggen van het contactverbod onvoldoende bij de beoordeling zijn betrokken. Uit het bestreden besluit, het verweerschrift en de toelichting op zitting volgt voldoende duidelijk dat de minister het gehele verloop van de relatie, de eerdere aangiftes en het opgelegde contactverbod heeft betrokken. Door de minister is in dit kader erkend dat sprake is geweest van huiselijk geweld en de verklaringen van eiseres hierover zijn door de minister geloofwaardig geacht. De minister heeft in dit kader verder overwogen dat de aangifte van eiseres uiteindelijk heeft geleid tot het opleggen van een contactverbod. Hieruit blijkt, zoals de minister terecht stelt, dat de Israëlische autoriteiten bereid zijn bescherming te bieden en dat er ook concrete beschermingsmaatregelen zijn getroffen. De stellingen van eiseres dat haar ex-echtgenoot na eerdere aangiftes binnen korte tijd weer was vrijgelaten en dat haar is verteld dat zij het onderling op moeten lossen, leiden de rechtbank niet tot het oordeel dat de bescherming niet effectief is. Dit doet namelijk niet af aan het feit dat er een contactverbod is opgelegd en een maatschappelijk werker is aangewezen. De rechtbank volgt eisers niet in het standpunt dat het contactverbod gebrekkig wordt gehandhaafd. De minister heeft in dit kader terecht overwogen dat eiseres heeft verklaard dat zij één keer aangifte heeft gedaan van het overtreden van het contactverbod, dat zij van de overige overtredingen geen aangifte heeft gedaan en dat zij enkele dagen na het opleggen van het contactverbod Israël heeft verlaten. Hierdoor kan niet worden gesteld dat de geboden bescherming gebrekkig was. Verder is niet gebleken dat eiseres heeft geklaagd over de werkwijze van de politie. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het doen van aangifte of klagen bij de autoriteiten bij voorbaat onmogelijk of zinloos is. Eiseres heeft weliswaar aangifte gedaan bij de politie na de overtreding van het contactverbod, maar is voordat de Israëlische autoriteiten konden handelen gevlucht naar Nederland. De door eiseres overgelegde bedreigingen in beroep laten weliswaar zien dat de bedreigingen nog steeds actueel zijn, maar maken evenmin dat moet worden geconcludeerd dat de bescherming door de Israëlische autoriteiten niet effectief is. Eiseres heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat zij van deze recente bedreigingen aangifte heeft gedaan bij de Israëlische autoriteiten. De verwijzing van eiseres naar een artikel over een slachtoffer van femicide leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank stelt vast dat uit het artikel volgt dat het slachtoffer meerdere aangiftes heeft gedaan en dat de politie niet heeft opgetreden, terwijl de politie in het geval van eiseres wel heeft opgetreden. Ook het feit dat er geen beleid zou zijn gericht op geweld tegen vrouwen laat onverlet dat de autoriteiten in haar geval hebben opgetreden. Eisers hebben geen andere informatie overgelegd waaruit aannemelijk wordt dat de geboden bescherming door de Israëlische autoriteiten gebrekkig is.

Lopen eisers bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?

7. Eisers betogen dat de rechtbank ook de algemene veiligheidssituatie in Israël en in het bijzonder Akko dient te beoordelen. Sinds de aanvallen van Israël en de VS op Iran is het regionale conflict verhevigd en vinden er vanuit Libanon aanvallen plaats op het noorden van Israël, zo ook Akko. Eiseres wijst hierbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag. (Voetnoot 7) Hieruit volgt dat de minister dient te motiveren waarom er in Israël geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens eisers niet alle factoren meegenomen en daarom is sprake van een motiveringsgebrek.

7.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in Israël geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank betrekt hierbij de door de minister overgelegde informatie van ACLED. (Voetnoot 8) Uit deze informatie volgt dat er 325 incidenten hebben plaatsgevonden in het district Akko, waarbij bij 24 incidenten burgers betrokken waren. Hierbij zijn zes burgerdoden gevallen. In de plaats Akko werden 20 incidenten geregistreerd waarbij geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen, het waren gerichte acties op militaire doelen. De minister heeft hieruit terecht geconcludeerd dat dit onvoldoende aanleiding is voor de conclusie dat in Akko sprake is van een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. De minister heeft daarbij ook kunnen betrekken dat Israël beschikt over een functionerende veiligheidsstructuur, dat veel aanvallen worden onderschept en dat niet is gebleken van een zodanig ernstige humanitaire situatie dat iedere burger enkel door zijn aanwezigheid in Israël een reëel risico loopt op ernstige schade. (Voetnoot 9) De minister stelt terecht dat eisers niet met stukken hebben onderbouwd dat sprake is van een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. De verwijzing van eisers naar de uitspraak van 27 november 2025 leidt, gelet op het voorgaande, niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

2023 Country Reports on human rights practices, U.S. Department of State, 22 april 2024.

Voetnoot 3

2022 Country Reports on human rights practices, U.S. Department of State, 20 maart 2023.

Voetnoot 4

“The situation for women in israel: More violence less representation and growing exclusion public service”, 28 mei 2024, Israel Democracy Institute.

Voetnoot 5

“Arab citizens fight back as Israeli government ignores rising violence in Arab communities”, 29 mei 2026, The Jewish Independent.

Voetnoot 6

“Marlene kreeg een telefoontje, ging – en werd vermoord”: de klachten bij de politie- en de machteloosheid”, 27 mei 2026, Ynet.

Voetnoot 7

Uitspraak van 27 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27929.

Voetnoot 8

Het betreft een screenshot van ACLED van de bekende informatie over Akko van 3 maart 2026 tot en met 27 mei 2026.

Voetnoot 9

‘Raketaanslagen in moordend tempo: op deze plekken in het Midden-Oosten zijn aanvallen gemeld’, AD 28 februari 2026. Zie ook ‘Oorlog in Iran houdt regio in spanning na aanvallen op IRCG en raketaanvallen vanuit Libanon’, Indegazette 2 maart 2026.