Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:22805

Op 13 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 26.22000, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:22805. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
26.22000
Datum uitspraak:
13 August 2026
Datum publicatie:
14 August 2026

Indicatie

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De brief van Fedasil biedt onvoldoende onderbouwing voor de conclusie dat eiser als niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoeker daadwerkelijk opvang zal krijgen. Bovendien volgt uit de AIDA-rapporten een ander beeld. Hieruit volgt dat er een grote kans bestaat dat eiser maandenlang op straat zal belanden. De rechtbank is ook van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser als opvolgende aanvrager hiertegen een effectief rechtsmiddel kan aanwenden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.22000

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 april 2026 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.22001, op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

2.1.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening (Voetnoot 1). Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). Omdat de aanvraag in deze zaak is genomen vóór 12 juni 2026 zijn de regels van de AMBV in deze zaak nog niet van toepassing en gelden nog steeds de regels in de Dublinverordening. (Voetnoot 2)

3.1.

Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 3) In dit geval heeft Nederland op 24 februari 2026 bij België een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. België heeft dit verzoek op 27 februari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Dublinverordening.

Standpunten van partijen

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is namelijk een niet-kwetsbare alleenstaande man en er zijn concrete aanwijzingen dat niet-kwetsbare alleenstaande mannen bij een overdracht aan België een reëel risico lopen om langdurig verstoken te blijven van opvang. Daarmee kunnen zij terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiele deprivatie, waardoor zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften. Dit is in strijd met artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 4) en artikel 4 van het Handvest (Voetnoot 5). De Belgische autoriteiten hebben het opvangbeleid verscherpt, waardoor opvang wordt geweigerd aan asielzoekers die een opvolgende asielaanvraag indienen. In het geval van eiser moet worden aangenomen dat zijn asielaanvraag als ‘opvolgend’ zal worden aangemerkt. (Voetnoot 6) Eiser merkt tevens op dat het voor asielzoekers die geen toegang hebben tot de opvang lastiger is om aanspraak te maken op rechtsbijstand. Klagen bij de Belgische autoriteiten heeft geen zin, omdat zij onverschillig tegenover de problemen in de opvangvoorzieningen staan. Ten aanzien van de brief van 5 februari 2026 waar de minister naar verwijst, merkt eiser op dat er nog steeds 1.535 personen op de wachtlijst staan voor opvang. Tijdens de wachttijd komt het overgrote deel op straat terecht, veelal in Brussel. (Voetnoot 7) Gelet op het vorenstaande is het niet aannemelijk dat eiser direct toegang tot de opvang zal krijgen na overdracht. Eiser kan de minister verder niet volgen in zijn stelling dat de Belgische autoriteiten door het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zullen nemen, nu niet duidelijk is waar die gestelde garantie op gebaseerd is. Gelet op het voorgaande had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

4.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van België mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In dit kader verwijst de minister naar de brief van Fedasil van 5 februari 2026. Volgens de minister volgt hieruit dat er afdoende mogelijkheden zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoeker om opvang te kunnen krijgen. Er is zelfs meer opvangcapaciteit dan nodig is. Een niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoeker in België kan aanspraak maken op een van de door Fedasil gefinancierde 2.000 humanitaire opvangplaatsen. Op 27 januari 2026 stonden er nog 1.535 personen op de doorstroomlijst. Per 1 juli 2026 staan er nog 1.040 personen op de doorstroomlijst. (Voetnoot 8) Bovendien volgt uit verklaringen van de verantwoordelijke Belgische bewindspersoon, afgelegd ten overstaan van de Commissie voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken op 22 april 2026, dat veel personen die op de doorstroomlijst staan, geen gebruik maken van de ‘nood/humanitaire’ opvangplaatsen. Deze groep maakt veelal gebruik van opvangmogelijkheden binnen het eigen netwerk. Met inachtneming van voorgaande informatie en aantallen meent de minister aldus dat er sprake is van een dalende trend in het aantal personen op die doorstroomlijst, en dat er aldus voldoende mogelijkheden zijn voor alleenstaande mannelijke asielzoekers om in ieder geval aanspraak te kunnen maken op een opvangplek in België. Bij de huidige stand van zaken bestaat er in de optiek van de minister dan ook geen reëel risico dat een vreemdeling na overdracht in een situatie verzeild raakt zoals bedoeld in het arrest Jawo. Daarbij roept de minister in herinnering op dat het rechtens relevante criterium hier níet is dat een (humanitaire) opvangplaats moet zijn gegarandeerd. Hierbij verwijst de minister naar punt 160 van het arrest N.H. e.a. tegen Frankrijk (Voetnoot 9) van het EHRM (Voetnoot 10) en de uitspraak van 29 juli 2021 van de Afdeling. (Voetnoot 11)

Het oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank stelt voorop dat eisers asielaanvraag bij terugkeer naar België – gelet op de acceptatiegrond van het terugnameverzoek – door de Belgische autoriteiten waarschijnlijk zal worden aangemerkt als opvolgende aanvraag.

5.1.

Het uitgangspunt is dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit wordt gegaan dat de lidstaten van de Europese Unie hun unierechtelijke en internationale verplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. De Afdeling is bij uitspraak van 23 juli 2025 (Voetnoot 12) in zoverre teruggekomen van haar eerdere oordeel in de uitspraak van 13 maart 2024. (Voetnoot 13) Volgens de Afdeling kan voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. De Afdeling heeft daarbij onder andere betekenis toegekend aan de langdurige opvangproblemen in België en de omstandigheid dat voor deze groep geen effectief rechtsmiddel beschikbaar was. Gelet op de conclusie van de Afdeling in deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat het in eerste instantie aan de minister is om te onderbouwen en aannemelijk te maken dat inmiddels voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen weer kan worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel ten aanzien van België.

5.2.

In dit kader verwijst de minister naar de brief van Fedasil van 5 februari 2026, die als bijlage is opgenomen bij Informatiebericht (IB) 2026/8. Hierin staat, voor zover relevant, het volgende:

In zijn huidige vorm voorziet het samenwerkingsakkoord in 2.000 humanitaire opvangplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Binnen dit totaal gaat het om 600 structurele opvangplaatsen en 1.400 bufferplaatsen die flexibel kunnen worden naargelang de opvangnoden. Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.

In de reguliere federale opvang verbleven op 23 januari 2026 in totaal 9.742 alleenstaande mannen. Fedasil beschikt niet over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen in België, aangezien dit geen federale bevoegdheid is.

Alleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, kunnen tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde “wachtlijst” staan, die in de praktijk een “doorstroomlijst” is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Het aantal personen op deze lijst is op 1 jaar tijd bijna gehalveerd en zakte op 2 juni 2025 voor het eerst onder de 2.000. Op 27 januari 2026 stonden nog 1.535 personen op de lijst, met een dalende trend die zich structureel verderzet.

Aangezien het aantal personen op deze “doorstroomlijst” reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, kan worden vastgesteld dat alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken.

5.3.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat uit deze brief niet duidelijk blijkt dat na de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2025 door de Belgische autoriteiten iets is gedaan voor de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Er zouden weliswaar 2.000 humanitaire opvangplaatsen zijn gerealiseerd via het samenwerkingsakkoord, maar het is voor de rechtbank onduidelijk of deze opvangplaatsen zijn gerealiseerd na deze uitspraak van de Afdeling. Immers, in het AIDA Country Report van juni 2025 (Voetnoot 14) en juli 2026 (Voetnoot 15) wordt gesproken over 2.000 extra opvangplaatsen in het Brusselse Gewest als gevolg van de zogenaamde ‘Brusselse Deal’. Deze plaatsen zijn echter al in 2022 (dus ruim voor de uitspraak van de Afdeling) gerealiseerd. Uit de brief van Fedasil van 5 februari 2026 volgt niet wanneer deze plaatsen zijn gerealiseerd. Het lijkt erop dat dit dezelfde plaatsen zijn als genoemd in de AIDA-rapporten. Dit betekent dat deze plaatsen dus niet zijn gerealiseerd na de uitspraak van de Afdeling. Dit betekent dat – anders dan de minister lijkt te schetsen – de Belgische autoriteiten na de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling niet meer opvangplaatsen hebben gerealiseerd.

5.4.

Daar komt bij dat de rechtbank van oordeel is dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er voor alle niet-kwetsbare alleenstaande mannen een plek is in de opvang. De minister heeft ter zitting bevestigd dat de 2.000 plaatsen in de noodopvang onder meer zijn bedoeld voor de personen op de doorstroomlijst. Fedasil concludeert in de eerdergenoemde brief dat er minder personen op de doorstroomlijst staan dan er plekken zijn in de humanitaire opvangplaatsen van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en dat daarom alle niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats zouden kunnen beschikken. Deze conclusie kan echter niet zonder meer worden gevolgd. Uit de brief volgt dat van deze plaatsen 2.000 plaatsen er 200 plaatsen zijn bedoeld voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. De overige 1.800 plaatsen zijn ook niet exclusief bedoeld voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. Dit volgt uit de volgende passage van de brief:

Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.

Deze 1.800 opvangplaatsen kunnen dus ook door anderen dan niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers worden gebruikt. Uit de brief van Fedasil noch uit andere informatie van de minister volgt hoeveel van deze plekken worden benut door anderen dan niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. Het kan dus zijn dat bijvoorbeeld 1.799 plaatsen worden gebruikt door gezinnen en minderjarigen en slechts één plaats beschikbaar is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. In dat geval kunnen niet alle personen op de doorstroomlijst beschikken over een opvangplek in deze noodopvang. Daarbij leidt de rechtbank uit de brief van 5 februari 2025 af dat alle personen op deze doorstroomlijst niet-kwetsbare alleenstaande mannen moeten zijn, nu kwetsbare personen wel direct worden toegelaten tot de reguliere opvang. Tijdens de zitting heeft de minister hierover geen duidelijkheid kunnen geven. Uit de brief volgt verder niet dat Fedasil is nagegaan of alle niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers die op de doorstroomlijst staan daadwerkelijk gebruik kunnen maken van deze noodopvang. Fedasil volstaat immers met de algemene constatering dat er minder mensen op de doorstroomlijst staan dan het aantal plaatsen in de noodopvang, zonder dat daarbij kenbaar rekening wordt gehouden met het feit dat de 1.800 plaatsen niet exclusief beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. Daardoor is het voor de rechtbank onduidelijk of alle verzoekers die op de doorstroomlijst staan daadwerkelijk gebruik kunnen maken van deze noodopvang plaatsen. Niet is gebleken dat de minister hier nader onderzoek naar heeft gedaan door hierover bijvoorbeeld een vraag te stellen aan Fedasil. De minister kon hierover tijdens de zitting geen duidelijkheid geven. Bovendien volgt uit het eerdergenoemde AIDA-rapport dat verzoekers om internationale bescherming geen voorrang krijgen bij deze plaatsen in de noodopvang en dat ondanks deze 2.000 plaatsen in de noodopvang er een groot tekort is in de opvangvoorzieningen. (Voetnoot 16) Tijdens de zitting heeft de minister nog gewezen op de cijfers van de website van Fedasil waaruit volgt dat de bezettingsgraad van de opvang 93% is en er dus een overcapaciteit is van 7%. (Voetnoot 17) Uit deze website volgt echter niet of niet-kwetsbare alleenstaande mannen toegang hebben tot de opvangplaatsen die deze 7% overcapaciteit vormen. Dit kon de minister tijdens de zitting ook niet zeggen. Bovendien is het niet logisch dat ondanks dat er een overcapaciteit zou zijn van 2.474 opvangplaatsen, er toch een doorstroomlijst is met 1.040 personen. Er zou dan immers voor al deze personen een opvangplaats zijn zodat er geen personen op de doorstroomlijst zouden staan. Het lijkt daarom aannemelijker dat deze overcapaciteit niet is bedoeld voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Deze conclusie is ook in lijn met het beeld dat uit de voornoemde AIDA-rapporten volgt.

5.5.

Nu de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor alle niet-kwetsbare alleenstaande mannen een plek in de opvang is, bestaat er een grote kans dat deze personen verstoken blijven van opvang. Verder geldt dat er een wachttijd is van gemiddeld 3,5 maand voor toegang tot de regulier opvang. Dit betekent dat een niet-kwetsbare alleenstaande asielzoeker waarvoor geen plek is in de noodopvang waarschijnlijk 3,5 maand op straat belandt. Dit volgt ook uit de eerdergenoemde AIDA-rapporten. Zo volgt hieruit ook dat verzoekers die geen opvang krijgen op straat belanden en in een precaire situatie terechtkomen. (Voetnoot 18) Ook blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026 dat Vluchtelingenwerk Vlaanderen zich fel verzet tegen de conclusie van de Nederlandse autoriteiten dat overdrachten van alleenstaande mannen naar België kunnen worden hervat omdat de Belgische overheid garanties heeft gegeven dat de opvangsituatie is verbeterd. Volgens Vluchtelingenwerk Vlaanderen krijgen niet-kwetsbare alleenstaande mannen gedurende deze wachttijd niet automatisch een opvangplek in Brussel. (Voetnoot 19) De rechtbank is dan ook van oordeel dat ondanks de informatie in de brief van 5 februari 2026 de kern van de kritiek van de Afdeling in rechtsoverweging 5.3 tot en met 5.3.4 en 5.6 van de uitspraak van 25 juli 2025 overeind blijft. Gelet op deze rechtsoverwegingen kan de ter zitting gegeven toelichting van de minister dat er ten tijde van de uitspraak van de Afdeling sprake was van 2.513 personen op de doorstroomlijst, wat de maximale capaciteit van 2.000 oversteeg, en dat er daarom in die periode niet voor iedereen opvang was, geen doel treffen. Ook hieruit blijkt immers niet hoeveel niet-kwetsbare alleenstaande mannen er op dat moment daadwerkelijk gebruik konden maken van de 2.000 humanitaire opvangplaatsen.

5.6.

Bovendien lijkt de informatie in de brief van Fedasil in strijd met de informatie die de minister kennelijk eerder heeft gekregen, zoals ook volgt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling (Voetnoot 20). Hierin staat dat uit de reactie die de minister op 23 maart 2025 heeft ontvangen van de Belgische autoriteiten volgt dat zij de ambitie hebben om de opvangcapaciteit geleidelijk af te bouwen. Dit volgt ook uit de eerdergenoemde AIDA-rapporten. (Voetnoot 21) Niet is gebleken dat de minister hier navraag of onderzoek naar heeft gedaan. Daardoor is onduidelijk of er daadwerkelijk sprake is van meer opvangplaatsen en het eerder vastgestelde tekort is verkleind. Uit de AIDA-rapporten lijkt juist te volgen dat er in België inmiddels minder opvangplekken zijn dan er eerder waren en dat er forse bezuinigingen zijn gepland op dit vlak.

5.7.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de brief van Fedasil, en daarmee dus ook de minister omdat die naar deze brief verwijst, (nog) onvoldoende zekerheid en duidelijkheid geeft over de asielopvangcapaciteit van België. De rechtbank kan uit de brief niet opmaken of alle niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers in heel België die behoefte hebben aan opvang, daadwerkelijk een opvangplek krijgen. Dit is ook uit de nadere toelichting tijdens de zitting niet gebleken. De brief geeft daarnaast ook geen inzicht in het aantal asielzoekers dat in heel België in de nood- en daklozenopvang zit en het totaal aantal opvangplaatsen en tekorten. Terwijl uit de eerdergenoemde AIDA-rapporten blijkt dat sprake is van structurele tekorten en veel niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers op straat belanden. (Voetnoot 22) Hierdoor blijft er naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheid bestaan over het aantal beschikbare plekken voor niet-kwetsbare alleenstaande asielzoekers. De rechtbank vindt hierbij van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 ook al tot de conclusie kwam dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande asielzoekers, waardoor het ook onduidelijk was hoeveel niet-kwetsbare alleenstaande asielzoekers daar verbleven. De brief van Fedasil, en daarmee ook de minister die zich daarop baseert ter onderbouwing van zijn standpunt, heeft deze onduidelijkheid niet weggenomen. Het feit dat het aantal personen op de doorstroomlijst afneemt, is onvoldoende.

5.8.

Voor zover de minister zich ter zitting onder verwijzing naar het arrest N.H. e.a. tegen Frankrijk op het standpunt heeft gesteld dat opvangplaatsen niet gegarandeerd moeten zijn, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. Weliswaar volgt uit punt 160 van dit arrest dat een lidstaat niet is gehouden om aan eenieder die onder zijn jurisdictie valt een recht op huisvesting te garanderen, maar een recht op huisvesting is meer omvattend dan opvang gedurende de asielprocedure. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het EHRM in het door de minister aangehaalde arrest een schending van artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 23) heeft aangenomen in het geval van drie alleenstaande mannen, niet zijnde Dublinclaimanten, die in afwachting van het indienen van hun asielaanvraag in België geen aanspraak konden maken op opvang en andere voorzieningen omdat zij niet de status hadden van asielzoeker. Bovendien heeft het EHRM in het arrest van 9 april 2026 (Voetnoot 24) België nog veroordeeld wegens schending van artikel 3 van het EVRM voor onder andere het maandenlang niet verstrekken van opvang aan verzoekers om internationale bescherming. Daar komt nog bij dat uit het arrest Changu (Voetnoot 25) van het HvJ-EU volgt dat er altijd opvang dient te zijn die onvoorwaardelijk is. Voor zover de minister heeft willen betogen dat als asielzoekers een korte tijd verstoken zijn van opvang dit niet leidt tot een situatie als bedoeld in het arrest Jawo, verwijst de rechtbank naar wat is overwogen onder 5.5.

5.9.

Eiser betoogt verder terecht dat onvoldoende duidelijk is of hij met succes kan klagen bij de Belgische autoriteiten of rechterlijke colleges als hij verstoken blijft van opvang. De rechtbank overweegt daartoe als volg. De Afdeling heeft in een uitspraak van 17 juli 2026 overwogen dat asielzoekers met een opvolgende aanvraag toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming. (Voetnoot 26) De Afdeling verwijst in deze uitspraak naar het AIDA-rapport van juni 2025, zonder inzichtelijk te maken uit welke pagina’s dit volgt. De rechtbank vermoedt dat de Afdeling haar oordeel baseert op p. 126 van dit rapport. Het klopt dat op deze pagina staat dat in sommige zaken verzoekers met een opvolgende aanvraag na uitspraken van rechtbank alsnog opvang hebben gekregen. Echter, deze informatie is gebaseerd op een bron van 2020 met informatie over 2019 (Voetnoot 27), zodat onduidelijk is in hoeverre die informatie nu nog geldt. Te meer, nu de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 nog melding maakt dat Belgische rechters in meer dan 10.000 zaken hebben geoordeeld dat de Belgische autoriteiten het recht op opvang schenden en deze uitspraken niet zijn nageleefd door de Belgische autoriteiten. Onduidelijk is bovendien in hoeveel gevallen de verzoekers alsnog opvang hebben gekregen en in hoeveel gevallen dat niet is gebeurd en welke termijn hiermee is gemoeid. Gelet op dit laatste is ook onduidelijk hoe lang deze verzoekers op straat hebben geleefd voordat ze toch opvang kregen en of de duur van die termijn maakt dat sprake is van een situatie die in strijd is met het arrest Jawo. Bovendien gaat de betreffende informatie uit deze voornoemde bron vooral over families met kinderen en dus niet over niet-kwetsbare alleenstaande mannen. (Voetnoot 28)

5.10.

Gelet op het voorgaande is met de huidige onderbouwing van het bestreden besluit onvoldoende zeker of ten aanzien van België weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. Alleen al op grond van het voorgaande is het beroep gegrond. Dit betekent dat de overige beroepsgronden geen bespreking behoeven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen.

6.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.

6.2.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 16 april 2026;

- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 augustus 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Verordening (EU) nr. 604/2013.

Voetnoot 2

Dit volgt uit artikel 84, tweede lid, van de AMBV.

Voetnoot 3

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 4

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 5

Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Voetnoot 6

Eiser verwijst naar pagina’s 70 en 71 van het AIDA Country Report, update 2024, van juni 2025.

Voetnoot 7

http://www.bruzz.be/actua/samenleving/wachtlijst-fedasil-leidt-tot-ronddolende-asielzoekers-alle-druk-komt-op-brussel.

Voetnoot 8

Zie het pdf-document ‘Cijfers opvangnetwerk’ te downloaden op de website: https://www.fedasil.be/nl/node/30.

Voetnoot 9

Arrest van 2 juli 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0702JUD002882013.

Voetnoot 10

Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

Voetnoot 11

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoot 12

ECLI:NL:RVS:2025:3305.

Voetnoot 13

ECLI:NL:RVS:2024:896.

Voetnoot 14

P. 117.

Voetnoot 15

P. 111.

Voetnoot 16

Zie de pagina’s 117 van het rapport van juni 2025 en 111 van het rapport van juli 2026.

Voetnoot 17

Ten tijde van deze uitspraak: 33.510 totaal opvangplaatsen waarvan er 31.036 bezet zijn, zodat er 2.474 over zouden moeten zijn.

Voetnoot 18

Zie de pagina’s 116 van het rapport van juni 2025 en 112 van het rapport van juli 2026.

Voetnoot 19

Zie pagina 64 van het rapport van juli 2026.

Voetnoot 20

In rechtsoverweging 5.3.2.

Voetnoot 21

Zie de pagina’s 145 van het rapport van juni 2025 en 111 van het rapport van juli 2026.

Voetnoot 22

Zie de pagina’s 145 van het rapport van juni 2025 en 108 en 110 van het rapport van juli 2026.

Voetnoot 23

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 24

Nr. 52836/22.

Voetnoot 25

ECLI:EU:C:2024:748, rechtsoverwegingen 76 t/m 78.

Voetnoot 26

ECLI:NL:RVS:2026:4169, r.o 5.1.

Voetnoot 27

Zie voetnoot 733 op die pagina.

Voetnoot 28

Zie p. 20-21 van het Jaarverslag 2019 van de federale Ombudsman van maart 2020.