RECHTBANK DEN HAAG
zaaknummer: NL26.43612 (rectificatie pagina 3)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
geboren op [geboortedatum] ,
van Pakistaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Procesverloop
Procesverloop
1. Bij besluit van 2 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw (Voetnoot 1) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiseres is verschenen op het detentiecentrum Schiphol in Badhoevedorp. Zij heeft zich op de rechtbank in Groningen laten bijstaan door haar gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
3.1.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid van het Vb (Voetnoot 2) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiseres voert aan dat de maatregel niet rechtsgeldig is ondertekend, omdat het haar niet lukt om de digitale handtekening te verifiëren. Daardoor is het niet mogelijk om de bevoegdheid van de betreffende medewerker te controleren en kan ook niet worden nagegaan of het certificaat, die nodig is voor een digitale handtekening, nog geldig is.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft haar beroepsgrond niet nader onderbouwd. Voorts heeft de minister op de zitting desgevraagd de digitale handtekening geverifieerd en verklaard dat aan alle voorwaarden is voldaan en de maatregel rechtsgeldig is ondertekend. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan deze verklaring van de minister te twijfelen en stelt vast dat op basis daarvan de maatregel rechtsgeldig is ondertekend.
Screeningslocatie en screeningsprocedure
5. Eiseres betoogt dat de luchthaven Schiphol en het JCS (Voetnoot 3) ongeschikte locaties zijn voor het verrichten van een screening. Daarnaast is de screeningsprocedure nog niet afgerond, omdat er geen medische controle (door medisch gekwalificeerd personeel) heeft plaatsgevonden. In het besluit is ook niet gemotiveerd waarom screening in het JCS moest plaatsvinden. De vrijheidsontnemende maatregel dient volgens eiseres daarom te worden opgeheven.
5.1.
De rechtbank overweegt eerst dat de Screeningsverordening (Voetnoot 4) geen omschrijving omvat aan welke specifieke vereisten een screeningslocatie moet voldoen. Wel schrijft artikel 8, achtste lid, van de Screeningsverordening voor dat gewaarborgd wordt dat de te screenen vreemdeling toereikende leefomstandigheden wordt geboden, met bescherming van diens lichamelijke en geestelijke gezondheid met inachtneming van rechten uit hoofde van het Handvest. Op grond van artikel 6 van de Screeningsverordening mag de vreemdeling tijdens de screening aan de buitengrens niet tot het grondgebied van een lidstaat worden toegelaten. Dit is nodig om elk risico op onderduiken, mogelijke bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk onderduiken of mogelijke gevaren voor de volksgezondheid als gevolg van dergelijke onderduiken te voorkomen. Op basis van de voorgaande passages ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de luchthaven Schiphol en het JCS onterecht worden aangemerkt als geschikte screeningslocaties in de zin van de Screeningsverordening. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.2.
De beroepsgrond dat de screeningsprocedure niet is beëindigd, omdat er tijdens de screeningsprocedure geen medische controle heeft plaatsgevonden, slaagt evenmin. De rechtbank stelt vast dat blijkens het screeningsformulier tijdens de screeningsprocedure een voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden door medisch gekwalificeerd personeel als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening. Uit artikel 16, eerste lid, van de Schengengrenscode (Voetnoot 5), volgt immers dat ambtenaren van de Kmar (Voetnoot 6) zijn opgeleid op het gebied van het herkennen van en het omgaan met situaties waarin kwetsbare personen betrokken zijn. De rechtbank stelt vast dat de Kmar in de zaak van eiseres bij de eerste beoordeling betrokken is geweest. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de minister voorafgaand aan zijn afweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen wel degelijk op zorgvuldige wijze heeft beoordeeld of eiseres detentiegeschikt is dan wel een lichter middel voor eiseres zou zijn aangewezen.
6. Eiseres voert verder aan dat in de maatregel niet deugdelijk is gemotiveerd waarom de minister niet heeft gekozen voor een lichter middel. Eiseres vindt dat zij door stress die zij ervaart detentieongeschikt is en dat zij geplaatst had kunnen worden bij haar in Nederland woonachtige zus, waarvan ze afhankelijk is.
6.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak (Voetnoot 7) volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsbeperkende vrijheidsontnemende maatregel.
6.2.
De rechtbank stelt het volgende vast. Uit het verslag van het “gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering” blijkt dat aan eiseres is medegedeeld dat zij gedurende de behandeling van haar asielaanvraag in de asielgrensprocedure zal verblijven in een gesloten detentiecentrum. Aan eiseres is gevraagd om aan te geven wat daarvan de gevolgen voor haar zijn. Eiseres heeft verklaard: “Ik gebruik anti stress medicijnen youfren 10MG. Verder heb ik geen problemen met de tijdelijke insluiting”. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister bij de beoordeling heeft betrokken dat een medische dienst aanwezig is op het JCS. Gelet op dit alles oordeelt de rechtbank dat de minister aan het grensbewakingsbelang een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen dan aan het belang van eiseres om een lichter middel toe te passen. De huidige informatie biedt immers geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres detentieongeschikt zou zijn. De omstandigheid dat familie van eiseres in Nederland woonachtig is doorbreekt het grensbewakingsbelang niet. Daar komt bij dat eiseres haar gestelde afhankelijkheid niet heeft onderbouwd.
7. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze hersteluitspraak is gedaan omdat in rechtsoverweging 6.1. in de laatste zin abusievelijk stond vermeld vrijheidsbeperkende maatregel. Deze hersteluitspraak treedt in de plaats van de oorspronkelijke uitspraak die op 14 augustus 2026 is gedaan.
Beslissing
Beslissing
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.