Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:23075

Op 12 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.16330, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:23075. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.16330
Datum uitspraak:
12 August 2026
Datum publicatie:
17 August 2026

Indicatie

Aanvraag voor een gecombineerde verblijfsvergunning – afwijzing in verband met de openbare orde – EU-langdurig ingezetene – alle omstandigheden betrokken – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.16330

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Aboukir),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Koevoets).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Senegalese nationaliteit te hebben. Op 2 november 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een combineerde vergunning voor verblijf en arbeid.

2. Bij besluit van 22 december 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Bij het bestreden besluit is verweerder bij deze afwijzing gebleven. Verweerder heeft overwogen dat eiser een gevaar is voor de openbare orde omdat hij is veroordeeld voor het plegen van misdrijven, waaronder een geweldsmisdrijf. Volgens het beleid van verweerder is het gepleegde misdrijf na tien jaar geen reden meer om de aanvraag af te wijzen, (Voetnoot 1) maar in het geval van eiser is er nog geen tien jaar verstreken. Het gepleegde misdrijf is dan ook de reden om de aanvraag af te wijzen. Er zijn voor verweerder geen bijzondere omstandigheden gebleken om af te wijken van de beleidsregels en de aanvraag toch in te willigen.

3. Eiser voert aan dat de beoordeling van verweerder niet in lijn is met artikel 3.77, vijfde en zesde lid, van het Vb. (Voetnoot 2) Verweerder heeft namelijk eisers jeugdige leeftijd, zijn banden met Nederland, de ernst van de inbreuk die eiser heeft gepleegd en de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag voor eiser niet kenbaar meegewogen. Ook is onvoldoende gemotiveerd welk gevaar er van eiser uitgaat. De veroordeling is het gevolg geweest van een conflict op de werkvloer en de gedragingen hebben geen impact gehad op de openbare orde. Inmiddels zijn ook ruim zeven jaren verstreken na de gedragingen. Voor de start van de rehabilitatietermijn dient verweerder volgens eiser uit te gaan van de datum van de gedragingen. Het is niet redelijk om van de datum van de onherroepelijke veroordeling in hoger beroep uit te gaan, nu de procedure in hoger beroep ruim vijf jaar heeft geduurd en eiser de veroordeling niet feitelijk heeft betwist. Verweerder had dan ook van zijn beleid moeten afwijken. In dat kader wijst eiser eveneens op zijn leeftijd, de context van de gedragingen, het recht op toegang tot arbeid en de lange duur van het hoger beroep dat zonder zijn medeweten is ingesteld. Ter zitting heeft eiser verder aangevoerd dat verweerder het Unierechtelijk openbareordecriterium ten onrechte niet heeft toegepast.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder had moeten toetsen aan

het Unierechtelijk openbareordecriterium. Op de afwijzing van eisers aanvraag voor een gecombineerde verblijfsvergunning voor verblijf en arbeid is namelijk nationale regelgeving van toepassing. Niet is gebleken van aanknopingspunten met het Unierecht op grond waarvan verweerder het Unierechtelijke openbareordecriterium had moeten toepassen. Eiser is geen Unieburger en er is geen sprake van het intrekken van een status. Omdat eiser houder is van een door Italië afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, dient verweerder wel mede rekening te houden met de omstandigheden genoemd in artikel 3.77, vijfde en zesde lid, van het Vb.

5. Verweerder heeft, anders dan eiser meent, bij de besluitvorming deugdelijk

gemotiveerd rekening gehouden met de omstandigheden genoemd in artikel 3.77, vijfde en zesde lid, van het Vb. Zo heeft verweerder overwogen dat een geweldsmisdrijf langer wordt tegengeworpen dan andere misdrijven, omdat een geweldmisdrijf naar zijn aard als ernstig wordt beschouwd. Het tijdsverloop sinds de gedragingen is ook meegewogen en daarbij is betrokken dat nog geen tien jaar is verstreken. Verder is betrokken dat eiser nooit een verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad, wel een Italiaanse EU-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene heeft en dat eiser zelf stelt dat geen sprake is van recidivegevaar. Verweerder heeft vervolgens met inachtneming van al deze omstandigheden kunnen concluderen dat het gepleegde misdrijf ernstig genoeg is dat het voor de openbare orde in Nederland nodig is om de aanvraag van eiser af te wijzen.

6. Ook heeft verweerder op grond van de door eiser genoemde omstandigheden

terecht geen aanleiding gezien om af te wijken van zijn beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb. (Voetnoot 3) Dat de gedragingen van eiser binnen de werksfeer hebben plaatsgevonden en dat eiser destijds 23 jaar oud was, heeft verweerder terecht onvoldoende geacht. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ook geweld binnen de werksfeer niet is toegestaan en dat eiser ten tijde van de gedragingen volwassen was. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiser geen recht heeft op het verrichten van arbeid in Nederland en dat verweerder niet gehouden is om te faciliteren dat eiser in Nederland kan werken. Voor zover eiser meent dat de datum van de gedragingen als aanvang van de termijn van tien jaar dient te worden gehanteerd, kan deze grond niet slagen. Immers, ook als zou worden uitgegaan van de pleegdatum, 31 maart 2019, zijn nog geen tien jaren verstreken. Ten aanzien van de stellingen van eiser het onredelijk is om uit te gaan van de datum van de onherroepelijke veroordeling vanwege de duur van de hogerberoepsprocedure en er hoger beroep was ingesteld zonder zijn medeweten, wordt overwogen dat eiser geacht wordt op de hoogte te zijn geweest van een namens hem ingesteld hoger beroep. Daarnaast had eiser het hoger beroep kunnen intrekken, nu hij ter zitting heeft verklaard de gedragingen niet te betwisten en dat hij zich heeft berust in de veroordeling.

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht de aanvraag van eiser heeft afgewezen.

8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 12 augustus 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie paragraaf B1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026 (Vc).

Voetnoot 2

Vreemdelingenbesluit 2000, zoals dat gold tot 12 juni 2026.

Voetnoot 3

Algemene wet bestuursrecht.