Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:23136

Op 17 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.44669, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:23136. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.44669
Datum uitspraak:
17 August 2026
Datum publicatie:
17 August 2026

Indicatie

volgberoep bewaring, art. 59 eerste lid aanhef en onder a Vw, kennisgeving, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.44669

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser,

v-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. H.J. Janse),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Procesverloop

Procesverloop

1. De minister heeft op 18 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (Voetnoot 1) opgelegd. De maatregel duurt nog voort.

1.1.

De minister heeft een kennisgeving voortduring bewaring aan de rechtbank verzonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. (Voetnoot 2)

1.2.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op 10 augustus 2026 op gereageerd.

1.3.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft (Voetnoot 3) en het onderzoek op 14 augustus 2026 gesloten.

Overwegingen

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 juni 2026 (Voetnoot 4) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 29 mei 2026.

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Standpunten eiser

4. Eiser meent dat de minister niet, of niet langer voortvarend aan zijn vertrek werkt. Daartoe voert eiser aan dat de laissez-passeraanvraag inmiddels bijna drie maanden loopt en dat de minister in die periode slechts vijfmaal schriftelijk heeft gerappelleerd. Daarnaast stelt eiser dat er op 25 juni 2026 en op 28 juli 2026 vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden. Volgens eiser is het vertrekgesprek van 28 juli 2026 de laatste activiteit geweest en heeft de minister sindsdien geen verdere inspanningen verricht ten aanzien van het vertrek van eiser. Daarnaast stelt eiser dat ook een persoonlijke of digitale presentatie aan de Marokkaanse autoriteiten nog niet heeft plaatsgevonden. Bovendien zijn volgens eiser ook geen andere werkzaamheden verricht voor het realiseren van zijn vertrek, zoals het aanvragen van een vlucht. Bovendien stelt eiser dat er in april 2026 mogelijke hits waren ten aanzien van de identiteit en nationaliteit van eiser afkomstig uit een Prüm-onderzoek (Voetnoot 5), maar dat hier vervolgens niks mee gedaan is. Gelet op het voorgaande stelt eiser zich op het standpunt dat de bewaring onrechtmatig is. Eiser verzoekt de rechtbank daarom het beroep gegrond te verklaren, de minister te bevelen de bewaring op te heffen en aan eiser een schadevergoeding toe te kennen. Daarnaast verzoekt eiser de minister te veroordelen in de proceskosten.

Beoordeling rechtbank

5. De rechtbank oordeelt dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraak is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. (Voetnoot 6) De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De laissez-passer aanvraag is nog steeds in onderzoek en niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank acht voorts van belang dat niet is gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om aan zijn medewerkingsplicht te voldoen. Eiser geeft ook in het vertrekgesprek van 25 juni 2026 aan dat hij niet terug wil naar Marokko en dus ook geen actie zal ondernemen. Niet kan worden uitgesloten dat de Marokkaanse autoriteiten, indien eiser medewerking verleent, sneller zullen overgaan tot het verlenen van een laissez-passer. Uit de voortgangsrapportage van 6 augustus 2026 blijkt dat ook uit het Prüm-onderzoek geen identificerende documenten naar voren zijn gekomen.

5.1.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er hebben op 25 juni 2026 en op 28 juli 2026 vertrekgesprekken plaatsgevonden en de minister heeft op 4 juni 2026, 26 juni 2026 en op 16 juli 2026 gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat eiser nog niet is gepresenteerd aan de Marokkaanse autoriteiten, maakt dit oordeel niet anders. Daarnaast merkt de minister op dat een presentatie in persoon niet meer tot de standaard werkwijze behoort bij het verkrijgen van een laissez-passer. De minister verwijst hierbij naar een brief van de minister aan de Tweede Kamer van 18 december 2023 (Voetnoot 7). Identificatie vindt volgens de minister plaats aan de hand van vingerafdrukken en beschikbare identiteitsdocumenten. Zodra de nationaliteit van eiser is vastgesteld, kan de minister een vlucht naar Marokko aanvragen.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat het voortzetten van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.

5.3.

De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. (Voetnoot 8)

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Zie artikel 96a, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 3

Zie artikel 96, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RBDHA:2026:14973.

Voetnoot 5

Een onderzoek op basis van het Verdrag van Prüm over onder meer de uitwisseling van DNA-gegevens, vingerafdrukken en voertuigregistratiegegevens binnen de Europese Unie met als doel bestrijding van ernstige en georganiseerde criminaliteit en terrorisme.

Voetnoot 6

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219).

Voetnoot 7

https://open.overheid.nl/documenten/dpc-2c55227bd28d3d039f32d5188445b27b147a2806/pdf

Voetnoot 8

Zie het arrest Adrar van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).