uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.19532
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [v-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.19533, op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen
V. Bolt. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Overwegingen
1. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van het beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere
lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Slovenië een verzoek om overname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek op 29 januari 2026 aanvaard.
Bekendmaking van het verlengingsbesluit
3. De uiterste datum voor de overdracht van eiseres naar Slovenië was 29 juli 2026. Op de dag van de zitting was de overdrachtstermijn dus verstreken. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat op 22 april 2026 een verlengingsbesluit is genomen waarmee de overdrachtstermijn voor eiseres met zes maanden is verlengd. De rechtbank ziet zich daarom ambtshalve gesteld voor de vraag of eiseres nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het antwoord is afhankelijk van de vraag of verweerder inderdaad de overdrachtstermijn heeft verlengd. Alleen dan bestaat namelijk nog steeds de mogelijkheid van overdracht aan Slovenië. Anders heeft eiseres geen belang bij een beoordeling van het bestreden besluit, omdat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag op Nederland als verzoekende lidstaat is overgegaan (zie artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, en artikel 46, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening). De Dublinverordening bevat geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat hiertoe nog een handeling of beslissing van de vreemdeling of de lidstaat vereist is.
3.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat het verlengingsbesluitbesluit van 22 april 2026 onjuist is bekendgemaakt en dat zij hiervan pas ter zitting kennis heeft kunnen nemen. Het besluit is namelijk niet aan de huidige gemachtigde van eiseres gestuurd, maar aan de vorige gemachtigde. Daarnaast is het besluit niet toegevoegd aan het dossier van deze beroepsprocedure.
3.2.
Volgens verweerder is het verlengingsbesluit verstuurd naar de bij verweerder (op dat moment) bekende gemachtigde van eiseres, mr. J.M. Bell. Het besluit is volgens verweerder op deugdelijke wijze bekendgemaakt nu het niet voldoende kenbaar is gemaakt dat eiseres van gemachtigde was gewisseld. Volgens verweerder is de enkele zin die is toegevoegd aan de zienswijze van 23 februari 2026 daarvoor onvoldoende en is het gebruikelijk dat dit per separaat bericht wordt gemeld. Pas toen het huidige beroep werd ingesteld is verweerder bekend geworden met de nieuwe gemachtigde van eiseres en is dit aangepast.
3.3.
De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat het verlengingsbesluit, door verzending aan de vorige gemachtigde, niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Het optreden van een gemachtigde heeft namelijk tot gevolg dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, als een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 juli 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AQ5722). Gelet op de zienswijze van 23 februari 2026 kon het
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 84, tweede lid, van Verordening (EU) 2024/1351 (Asiel- en migratiebeheerverordening) wordt de verantwoordelijke lidstaat voor een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.
verweerder ten tijde van het verlengingsbesluit op 22 april 2026 bekend zijn wie de huidige gemachtigde van eiseres was. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in de zienswijze niet alleen staat aangegeven dat de huidige gemachtigde van eiseres vanaf die datum voor haar op zou treden, maar dat ook de zienswijze als geheel door deze gemachtigde is ingediend en ondertekend. Het standpunt dat de verandering van gemachtigde van eiseres onvoldoende aan verweerder kenbaar is gemaakt, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank is daarom van oordeel dat het verlengingsbesluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Beoordeling van het procesbelang door de rechtbank
4. Gelet op hetgeen in 3.3. is overwogen, beantwoordt de rechtbank nu de vraag of eiseres procesbelang heeft bij haar beroep.
4.1.
Een besluit treedt op grond van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Zoals hiervoor in 3.3. is overwogen, is het verlengingsbesluit van 22 april 2026 niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dit betekent dat het verlengingsbesluit ten tijde van het verstrijken van de overdrachtstermijn op 29 juli 2026 nog niet in werking was getreden. Daarom was de uiterste overdrachtsdatum ten tijde van de zitting op 30 juli 2026 verstreken. Nederland is vanaf die datum verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Zoals overwogen onder 3. van deze uitspraak, gaat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming over op de verzoekende lidstaat als de overdracht niet binnen zes maanden plaatsvindt, tenzij deze is verlengd. Dit heeft op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening tot gevolg dat eiseres van rechtswege is opgenomen in de nationale asielprocedure. Omdat eiseres door het verstrijken van de overdrachtstermijn niet langer kan worden overgedragen aan Slovenië, is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk omdat zij geen belang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit.
6. Ondanks de niet-ontvankelijkheid van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, omdat deze op goede gronden is ingediend. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-en een wegingsfactor
1. Het verschijnen ter zitting levert 1 punt op met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1. Toegekend wordt € 1.868,-.
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.