Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:24297

Op 25 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.45908, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:24297. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.45908
Datum uitspraak:
25 August 2026
Datum publicatie:
27 August 2026

Indicatie

Beroep bewaring art. 59 Vw. Onderduikrisico mag worden aangenomen, voldoende kenbaar gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast, minister werkt voldoende voortvarend aan uitzetting. Beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.45908

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L. Soedamah),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. (Voetnoot 1)

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 11 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1996, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, G.L. Rivas als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. (Voetnoot 2) De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. (Voetnoot 3) Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. (Voetnoot 4) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 5)

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.

4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.2.

Eiser betwist niet de feitelijke juistheid van voornoemde gronden, maar hij betoogt dat de minister in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom daaruit de conclusie kan worden getrokken dat het risico bestaat dat hij zal onderduiken.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Voor grond b geldt dat de minister mag volstaan met een feitelijke toelichting, een nadere motivering waarom daaruit onderduikrisico volgt is niet nodig. Verder heeft de minister, in tegenstelling tot wat eiser betoogt, de overige gronden voorzien van een nadere toelichting. De rechtbank volstaat in dat verband met een verwijzing naar de maatregel (formulier M-109). Deze vier gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om onderduikrisico aan te nemen.

5. Eiser betoogt verder, zo begrijpt de rechtbank, dat de minister in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. De minister heeft in de maatregel overwogen dat het risico bij het opleggen van bijvoorbeeld een meldplicht in plaats van een inbewaringstelling te groot is omdat eiser eerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot vertrek, hij niet beschikt over geld, hij veelvuldig in de politiesystemen voorkomt en omdat de medische zorg in detentie in eisers geval voldoende wordt geacht. Die motivering acht de rechtbank voldoende, gelet op wat eiser in het gehoor voorafgaand aan de bewaring naar voren heeft gebracht.

6. Eisers betoog dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting werkt slaagt evenmin. Op 14 augustus 2026 is een vertrekgesprek gevoerd met eiser en op 17 augustus 2026 heeft de minister de Roemeense autoriteiten verzocht een laissez passer te verstrekken. Ter zitting is gebleken dat de Roemeense autoriteiten daarmee akkoord zijn gegaan en dat inmiddels een vlucht is aangevraagd. Daarnaast heeft de minister het Openbaar Ministerie verzocht aan te geven of er bezwaar bestaat tegen eisers uitzetting. Het OM heeft op 14 augustus 2026 laten weten daar geen bezwaar tegen te hebben. Gelet daarop werkt de minister vooralsnog voldoende voortvarend aan eisers uitzetting.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 6)

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van

D.P. van Middelkoop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 2

Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Voetnoot 3

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Voetnoot 4

Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.

Voetnoot 5

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Voetnoot 6

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.