Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:24299

Op 25 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.46230, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:24299. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.46230
Datum uitspraak:
25 August 2026
Datum publicatie:
27 August 2026

Indicatie

Beroep bewaring art. 59 Vw. Gebruik handboeien voldoende toegelicht in proces-verbaal van bevindingen, kennisgeving onverwijld verstuurd, motivering lichter middel voldoende kenbaar. Beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.46230

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. (Voetnoot 1)

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 12 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die de Bulgaarse nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedag] 1996, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.P. Ilieva als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. (Voetnoot 2) De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. (Voetnoot 3) Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. (Voetnoot 4) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 5)

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. Eiser betoogt dat uit het dossier niet blijkt dat de minister de rechtbank onverwijld in kennis heeft gesteld van de opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring. Bij gebreke aan een datum en tijdstip waarop de kennisgeving is verstuurd moet het er voor worden gehouden dat niet onverwijld is kennisgegeven, aldus eiser.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond niet slaagt. Eiser is op

12 augustus 2026 om 19:46 uur in vreemdelingenbewaring gesteld en uit interne gegevens van de rechtbank blijkt dat de kennisgeving op 13 augustus 2026 om 09:35 uur is geregistreerd en dat om 09:38 uur een brief naar partijen is gestuurd waarin de zitting is aangekondigd. De rechtbank leidt daaruit af dat sprake is van een onverwijlde kennisgeving.

6. Eiser betoogt verder dat uit het dossier onvoldoende duidelijk blijkt waarom hij gedurende de overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor geboeid was. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt niet dat daadwerkelijk sprake was van gevaar en bovendien bevat het busje waarin eiser werd vervoerd een kooiconstructie.

6.1.

Op grond van artikel 22 van de Ambtsinstructie kan de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd ten behoeve van het vervoer of een verplaatsing handboeien aanleggen. Dit kan de ambtenaar doen indien op grond van de feiten of omstandigheden redelijkerwijs gevaar valt te vrezen voor ontvluchting dan wel voor de veiligheid van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of

van derden.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van bevindingen voldoende duidelijk blijkt dat sprake was van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 22 van de Ambtsinstructie. Daaruit blijkt immers dat eiser ‘boos en agressief’ reageerde toen hij vernam dat hij zou worden overgedragen aan de vreemdelingenpolitie en dat hij de intercom bespuugde. De verbalisanten mochten die gedragingen meewegen, gelet op het feit dat eiser nog steeds boos was toen de verbalisanten hem wilden meenemen op transport. De verbalisanten hebben daarom kunnen concluderen dat sprake was van feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs gevaar viel te vrezen voor de veiligheid van de ambtenaren. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser betoogt ten slotte dat in de maatregel onvoldoende kenbaar is gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de bewaring verklaard dat hij bij een nicht in Zaandam verbleef en die omstandigheid is door de minister ten onrechte niet meegewogen.

7.1.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond evenmin slaagt. In de maatregel is overwogen dat eiser heeft verklaard dat hij bij zijn nicht in Zaandam verblijft, maar dat hij het adres niet weet en dat hij ook haar telefoonnummer niet weet om dat na te vragen. Daarover overweegt de minister dat uit de weigering van eiser om opgave van zijn verblijfplaats te doen reeds blijkt dat hij voornemens is zich aan het toezicht te onttrekken. Gelet op de verdere motivering van de maatregel, met name het feit dat eiser na een eerdere uitzetting naar Bulgarije weer snel terugkeerde naar Nederland en daarvan geen melding deed bij de autoriteiten, heeft de minister daarmee voldoende kenbaar gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 6)

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van

D.P. van Middelkoop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 2

Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Voetnoot 3

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Voetnoot 4

Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.

Voetnoot 5

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Voetnoot 6

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.