Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:24343

Op 27 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.46875, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:24343. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.46875
Datum uitspraak:
27 August 2026
Datum publicatie:
27 August 2026

Indicatie

Artikel 6, eerste en tweede lid Vw, geldig visum, geen asiel aangevraagd, maatregel opgeheven, onvoldoende middelen van bestaan, grensbewakingsbelang, PKV, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.46875

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I van Es).

Procesverloop

Procesverloop

1. Bij besluit van 13 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, eerste lid en tweede lid, van de Vw (Voetnoot 1) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

1.1.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

1.2.

Verweerder heeft de maatregel op 14 augustus 2026 opgeheven.

1.3.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. De gemachtigde van eiser heeft op 20 augustus 2026 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 21 augustus 2026 gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op

24 augustus 2026 gesloten.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Wat vindt eiser?

4. Eiser stelt dat directe grensweigering te kort door de bocht is en dat hij bovendien op het moment van het opleggen van de maatregel in het bezit was van een geldig Schengenvisum voor Letland. Daarnaast draagt eiser aan dat zijn verblijf in Letland juist was om geld te verdienen en dat het voor hem nog onduidelijk was hoelang hij in Letland zou verblijven in verband met de voorgenomen werkzaamheden. De minister heeft naar mening van eiser te weinig rekening gehouden met het feit dat hij voor werk naar Letland ging.

5. De rechtbank overweegt als volgt. De reden voor de grensweigering is het niet voor handen hebben van documenten waaruit het doel, duur en de omstandigheden van het verblijf bleken. Daarnaast is het ontbreken van onvoldoende toereikende middelen van bestaan voor de duur en vorm van het voorgenomen verblijf, de doorreis of terugkeer naar het land van herkomst tegengeworpen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van

13 augustus 2026 blijkt dat eiser heeft verklaard in de bouw te gaan werken, dat hij over een maand het Schengengebied weer zal verlaten en dat hij ten tijde van het verhoor, een bedrag van 50 euro op zak had. Uit het proces-verbaal valt eveneens op te maken dat eiser ter onderbouwing van zijn verklaringen geen documentatie of andere onderbouwing kan overleggen. Bovendien verklaart hij tegenstrijdig over de duur van zijn verblijf en heeft hij geen retourticket, om te kunnen terugkeren. Eiser heeft verklaard dat hij ongeveer tweehonderd euro per maand zal gaan verdienen. Dit is te weinig zal zijn om een eventuele terugreis te kunnen bekostigen. Eiser heeft daarbij evenmin documenten overgelegd van zijn toekomstige werkgever. De minister stelt terecht dat eiser hiermee niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot Nederland en dat de geldigheid van het visum niet met zich meebrengt dat eiser feitelijk toegang tot het grondgebied moet worden verleend. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

6. Eiser draagt aan dat uit de werkinstructie 2026/23 over de asielgrensprocedure blijkt dat het uitgangspunt is dat niet iedere vreemdeling aan de buitengrens, die niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen. Bij onverplicht overgaan naar grensdetentie zou zelf gecreëerde noodzaak tot gevolg hebben, onder verwijzing naar ECLI:NL:RBDHA:2026:22544. Eiser stelt verder dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat hij binnenkort wel in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien en meent dat daarom had kunnen worden volstaan met een lichter middel.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft geen asielaanvraag ingediend. Van een asielgrensprocedure is daarom geen sprake. Alleen daarom al het beroep op de aangehaalde uitspraak niet leiden tot een ander oordeel. Uit vaste rechtspraak (Voetnoot 2) volgt verder dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken. De persoonlijke belangen van eiser zijn afgewogen en hebben geen aanleiding gegeven voor het toepassen van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van

E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799